‘Ga zitten’
Ik type nog even snel een mail af terwijl ik hem met een glimlach verwelkom in de kleine kamer aan de achterkant van mijn huis. Het is dertien februari, de winter heeft eindelijk vat gekregen op Nederland. Het vriest, sneeuwt en de luchten zijn staalblauw. Alles wat je van een winter zou verwachten.
De eerste berichten over een Elfstedentocht zijn begonnen en ik heb last van mijn wintertenen.
Dat kwaaltje heb ik al sinds mijn dertiende, het klinkt een beetje als een oud-vrouwenkwaaltje. Toch ben ik pas zesendertig. Of pas... Dat ligt eraan tegen wie je het zegt. Toen ik zelf een jaar of achttien, twintig was vond ik zesendertig stokoud. Moeders met kinderen, niet sexy en eigenlijk bestonden ze niet eens in mijn ogen. Ik keek er doorheen op straat, alsof ze lucht waren. Oud, afgedankt en niet interessant. Een ander leven, een andere wereld. De wereld van U zeggen en volwassenen. Niet hip, niet trendy.
Nu ben ik zelf zesendertig, de reclames voor haarkleuringen en antirimpelcremes zijn ineens op mij van toepassing. Wanneer is dat gebeurd? Hoe ging dat? Op een avond trokken dergelijke reclames niet mijn aandacht en een avond erna dacht ik ineens: Hé, dat zou wel wat voor mij kunnen zijn?
Zo ging het ook met die eerste grijze haar, die eerste rimpel. Verschrikkelijk, je wilt het niet weten, je kijkt in alle mogelijke gezichtspunten en licht-intensiteiten, maar helaas, ze zitten er nog. Toch went het, die eerste rimpel zie je na een tijdje niet meer, je gaat kraaienpootjes zelfs wel charmant vinden. Die eerste diepe langs je neus vind je minder, tot ook die je niet meer opvalt. Grijze haren verf je weg met tinten als Kopermahonie of Tasmanian Ceder. Zesendertig jaar.
Dat ben ik.
En ik ben ik.
Eigenlijk hoort het niet, dat een patiënt binnenkomt en dat je dan nog even je werk afmaakt. Ik kijk hem niet eens aan, want ik weet al zo goed hoe hij eruit ziet. Veertig jaar is hij, klein van stuk, afhangende schouders maar met een verrassend sterke handdruk. Ik hoor de hakken van zijn schoenen over mijn houten vloer gaan. Hij loopt richting de oude oranje fauteuil die ik van mijn oma heb geërfd; nog even en hij gaat zitten, met een plofje. Zijn handen vouwt hij vervolgens om de versleten leuningen en hij zal zeggen:
‘Dag Irina... Hier ben ik weer...’
Mij oren spitsen zich om te wachten op de vertrouwde signalen dat ik nu echt mijn werk moet afsluiten om mijn aandacht op hem te richten.
Het blijft stil.
Ik schrik ervan. De temperatuur in de kamer lijkt een paar graden te dalen. Mijn handen verlaten mijn toetsenbord en verplaatsen zich naar mijn hals om daar het tere vlees te strelen.
‘Max?’ Mijn stem galmt door de kleine maar hoge ruimte.
Mijn ogen zoeken hem en treffen de slanke man in de hoek van mijn spreekkamer. Hij staat met de rug naar me toe en staart door het enige raam. De zware paarse gordijnen houdt hij opzij met een schijnbaar nonchalant gebaar van zijn linkerhand. Het witte overhemd plakt aan zijn rug en zijn heup maakt een semi-ontspannen hoek met zijn bovenbeen.
Dit is niet ok. Mijn tien jaar praktijkervaring als psychiater fluistert me in dat ik op mijn hoede moet zijn, en in gedachten scan ik zijn dossier:
Max Hellenius. Veertig jaar. Enig kind van gescheiden ouders. Hoogbegaafd, sloeg twee klassen over op de lagere school, één op de middelbare school. Cum laude afgestudeerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, Bedrijfseconomie. Op zijn vijfentwintigste volledig doorgedraaid op de dealing room van The Amsterdam Exchange aandelenbeurs. Zijn uitspraak: ‘Dood aan alle kapitalistische varkens!’ domineerde alle headlines van de kranten. Zes mensen verloren het leven op die maandagmiddag in 1992, en Max kreeg vijftien jaar opgelegd met TBS. Begin 2007 kwam hij mijn leven binnen, mijn behandelkamer, bij de zwaar bewaakte penitentiaire inrichting in Vught.
Eindeloze gesprekken hebben we gevoerd over het waarom van zijn daad. Hoe het kwam dat hij die bewuste dag een waas voor zijn ogen kreeg en iedereen als zijn vijand beschouwde. Moeilijke momenten waarin hij verteerd werd door berouw en snikkend als een kind op het tapijt lag, maar ook mooie momenten waarin onze therapeutische gesprekken een filosofische afslag namen. Max is een intelligente, prettige gesprekspartner. Max is echter ook zwaar gestoord. Zijn slachtoffers heeft hij vakkundig afgeslacht, zonder enig gevoel. Toch is het zelfs voor mij, doorgewinterde TBS hulpverleenster, moeilijk om dat niet af en toe te vergeten als hij me doordringend aankijkt met die diepgroene ogen. Met mijn collega’s voer ik lange evaluatiegesprekken over Max. We proberen een diagnose te stellen. Is Max een Psychopaat? Leidt hij aan het Meervoudig Persoonlijkheid Syndroom? Handelde hij onder invloed van een psychose? Soms lijken we het eens, maar altijd is er weer iets waardoor we twijfelen. We krijgen geen eenduidig beeld van hem, weten hem niet te plaatsen. Als kwikzilver glipt hij tussen onze bekwame vingers door.
Nu staat hij weer hier, voor zijn twintigste sessie met mij. Nerveus trek ik mijn halflange donkere haar achter mijn oren en kauw op een nagel.
‘Max?’ Ik probeer voor de tweede keer contact te zoeken.
Het werkt. Max draait zich met een ruk om en is in een fractie van een seconde bij mijn bureau. Hij steunt met zijn handen op de rand en buigt zo ver over het tafelblad heen dat zijn groene ogen op nog twintig centimeter afstand van mijn blauwe zijn. Ik voel zijn adem over mijn wang strijken en zie het kartelige littekentje op zijn wang. Hij heeft zich niet geschoren vandaag en ik ruik een vage zweetlucht. Zijn plotse nabijheid verwart me heftig en even vergeet ik alle protocollen. Ik schiet naar achteren met mijn bureaustoel en slaak een harde gil.
We staren elkaar aan. De vergrote fysieke ruimte tussen ons voelt prettig, maar de afstand die er nu emotioneel tussen ons is, is oneindig groot. Alsof de negentien voorgaande sessies voor niets waren, loze woorden als zandkorrels in een woestijn. Dat wil ik niet, dat sta ik niet toe. Ik sta op, en ondanks al mijn weerzin loop ik voorzichtig op hem af en raak zijn schouder aan.
De sterke man krimpt ineen onder mijn aanraking. Zijn schouders hangen en lijken te smal voor het witte overhemd. Zelfs zijn gezichtshuid lijkt slapper om zijn jukbeenderen en kaken te vallen.
Hij fluistert.
Ik versta hem slecht.
‘Wat zeg je Max?’
Hij draait zijn gezicht met de wonderlijke groene ogen naar me toe. Het oogwit is bloeddoorlopen.
‘Het was niet voor het eerst,’ zegt hij, nu overdreven duidelijk articulerend.
Met zachte druk leid ik Max naar de divan en hij laat zich gewillig achterover duwen. Ik leg een koele hand op zijn verhitte voorhoofd.
Ik ben gespannen. Een doorbraak bij een patiënt blijft iets bijzonders. Natuurlijk voel ik met hem mee, maar er speelt ook trots mee als je als psychiater dit weet te bewerkstelligen, dat een patiënt je in vertrouwen neemt. Omdat hij weet dat alle informatie veilig is bij jou, tussen de vier muren van de praktijk.
Ik laat een stilte vallen zodat hij zijn tijd kan nemen.
‘Ik was vijftien toen het gebeurde,’ begint hij, de ogen gesloten.
Ik moedig hem aan met een zachte aanraking van zijn arm. Max begint te vertellen en neemt me vijfentwintig jaar mee terug in de tijd. Hij schetst voor mij hoe hij zich had verstopt in de tuin waar hij een goed zicht had op de mooie vrouw. De vrouw die zijn moeder had kunnen zijn, maar die hij obsessief lief had.
‘Ik dacht alleen nog maar aan haar...’ verzucht hij, badend in verhitte herinneringen. Max vertelt dat die dag anders was, dat zijn bloed door zijn aderen ruiste en druk op zijn ogen veroorzaakte.
‘Ook op andere plekken deed het zeer...’ Bijna verlegen wijst hij naar zijn kruis.
De vrouw droeg een lichtblauw zomerjurkje vertelde hij en ze hing de was op.
‘Ik weet nog dat ze een paar kersen van de grond opraapte, de kersenboom hing helemaal vol kersen,’ zijn ogen schieten heen en weer onder zijn oogleden.
De omschrijving van de gruwelijke daad die volgt schiet als een roes aan me voorbij. De overmeestering, de verkrachting en het uiteindelijke wurgen.
‘Het ging zo makkelijk, zo licht...’ Hoor ik Max nog zeggen.
‘Het duurde voor mijn gevoel anders uren,’ antwoord ik. Ik ben opgestaan op onvaste benen en heb de alarmknop onder mijn bureau ingedrukt.
De bewaking is er binnen enkele seconden. Ik laat Max ogen niet los, ik fixeer hem met mijn blik op de divan. Dan schend ik met alle liefde voor de eerste en waarschijnlijk laatste keer mijn beroepsgeheim.
‘Neem hem mee alsjeblieft,’ zeg ik trillend tegen de bewaker, ‘ik wil deze man nooit meer zien, hij heeft mijn moeder vermoord.’
Tegen Max weet ik nog net uit te brengen: ‘Ik was elf, en stond in de serre, ik zag jouw rug en haar sterven. We zouden samen kersen gaan plukken, mamma en ik. Je hebt mij die dag ook vermoord. Ik haat je Max Hellenius, ik hoop dat je rot in de gevangenis, ik zal er in ieder geval alles aan doen om je daar de rest van je zielige leven te houden.’
Max groene ogen doven langzaam uit en hij sterft figuurlijk op de divan. Mijn leven kan juist weer beginnen. Vijfentwintig jaar na de dood van mijn moeder.
Lees ook:
Het cadeau,
Sofie,
Blond en
Gestrand
© Heleen van der Kemp