Maandag, 12 mei 2008, 15.00
‘Wij vertrouwen op uw discretie,’ De vrouw slaat haar lange glad geschoren benen over elkaar. ‘Geen woord tegen de politie of de pers’.
‘Geen woord tegen niemand!’ voegt haar man er bot aan toe. ‘Heeft u dat begrepen mevrouw Hoekstra?’
Ik knik en kijk over hun perfect gekapte hoofden heen naar de prachtige kunstwerken aan de muur. Klein voel ik me in deze ruimte. Het plafond is hoog en rijk bewerkt met stucwerk, glanzende kroonluchters geven de woonkamer van de familie Leeuwenbergh een bijna koninklijk allure. Ik wil niet dat ze mijn met de minuut groeiende irritatie zien, ik kan deze opdracht goed gebruiken. Het is alweer een tijdje geleden dat ik een klus had.
‘Kunt u het geld vanavond op mijn rekening storten?’ vraag ik, terwijl ik weer naar het stijve echtpaar voor me kijk, ‘ ten name van Hoekstra Private Investigation te Amsterdam? Het rekeningnummer staat op de offerte. Tienduizend euro, exclusief BTW’
‘Gaat u nu eerst maar eens aan de slag jongedame’ zijn stem heeft een hoog hete aardappel gehalte, ‘eerst maar eens zien of u die tienduizend euro wel waard bent.’
Onbewogen zitten ze naast elkaar op de leren chesterfield. Veertigers. Gebruind, gespierd en gekleed in dure pastelkleurige merken. Niets verraadt enige emotie. Gladde perfectie en beheersing. Ik heb met oud geld te maken. Mevrouw schuift een beetje heen en weer over de bank, haar zijden rokje kruipt wat op en showt een gespierd tennisdijbeen. Ze schraapt haar keel; ze lijkt nu wat slecht op haar gemak.
‘Is alles duidelijk zo?’
Ze wil duidelijk van me af. Ik krijg zin om haar pijn te doen, een schop te geven zodat dat masker van haar breekt in een kreet van pijn.
‘U weet dat ontvoerders het slachtoffer meestal doden binnen de eerste vierentwintig uur?’ Ik kies voor een mentale pijniging. Ik peil de effecten van mijn aanval op de gladde gezichten. Niets te zien. Meneer zucht diep en staat op.
‘Mevrouw Hoekstra,’ zegt hij kil, ‘vertrekt u nu maar voor ik me bedenk.’
Hij drukt me een envelop in mijn handen en manoeuvreert me richting hal. Voor ik het weet sta ik weer buiten.
Maandag, 12 mei 2008, 18.00
Een paar uur later zit ik op mijn bed. Het bed is de enige plek waar ik kan zitten in mijn appartement van twee bij drie op vier hoog in de Jordaan. Ik heb de krappe ruimte wat op proberen te fleuren met een donkerrode muur en een enorme spiegel in een gekrulde verzilverde lijst. De palm in de hoek schreeuwt om water en de paar mensen waar ik van hou heb ik ingelijst boven de schouw hangen. Ik scheur de envelop open en schud de inhoud op mijn bed. Foto’s, lijsten, brieven en mijn voorschot. Ik sorteer de fotos en de lijsten. Namen van vriendinnetjes, haar school, hockeyclub, balletles. Haar agenda zit er ook bij, vol foto’s van sterren die ik niet ken. Jongens met laaghangende broeken en halfnaakte popperige meisjes met zwoele blikken. Die waarschijnlijk ook nog kunnen zingen, of iets wat er op lijkt.
In haar agenda veel krabbels van vriendinnen en mysterieuze hints naar afspraakjes en feestjes. Wat dat betreft is er dus niet zoveel veranderd. Ik glimlach als ik even aan mezelf denk als veertienjarige. Moet Pete wel nog even haar Hyves, MySpace en Facebook laten bekijken. Dat is wél veranderd, en goed ook. De virtuele wereld biedt mij als privé detective een rijkdom aan informatie. Ik kijk naar de fotos van Sofie. Een verleidelijke blondine kijkt me brutaal aan vanaf het fotopapier.
Veertien is ze, maar ze lijkt wel vierentwintig. Als ik aan mijn eigen dertigjarige spiegelbeeld denk met mijn donkere ogen, geen make-up, donkere haren in een staartje en mijn kleine atletische gestalte, dan lijkt ze bijna ouder dan ik. Sofie op het hockeyveld, Sofie op het strand in een sexy bikini. Sofie in gala aan een rijk gedekte kersttafel met haar ontzettend gezellige ouders.
Eén foto raakt me. Het is een close-up van Sofie. Ze is zich niet bewust van de fotograaf, de foto pakt haar in een onverwacht moment. Haar gezicht ziet eruit zoals het eruit zou moeten zien, het gezicht van een jong meisje. Haar ogen kijken mijlenver weg en stralen een immense droefheid uit.
‘Waar ben je met je gedachten Sofie?’ vraag ik mezelf hardop af. Ik schuif alles weer terug in de envelop, alleen deze foto steek ik in de binnenzak van mijn leren jasje.
‘Kom op meisje, we gaan op pad, we vinden je wel’. Ik trek de deur achter me dicht en begin aan mijn opdracht. Ik stap in mijn onopvallende grijze Opel Corsa, pak mijn tom-tom en toets een adres in.
Maandag, 12 mei 2008, 16.00
Een paar kilometer verderop zit op een zolder een jong meisje. Ze draagt een hemelsblauw hemd en een boxershortje. Vegen donkerrood bloed vloeken met het lichte blauw. Haar lange haar plakt in golven om haar volslanke tienerlichaam. Ze is moe, maar vol vechtlust. Pientere blauwe ogen staan helder en zoeken contact met haar ontvoerder. Hij zit met zijn rug naar haar toe en scheurt bladzijdes uit tijdschriften.
‘Wat doe je?’ probeert het meisje. Contact leggen lijkt haar slim. Laat hem zien dat ze een mens is, van vlees en bloed, met gevoel.
Dinsdag, 13 mei 2008, 15.00
De hele ochtend heb ik besteed aan de aanknopingspunten die ik heb. Ik bel vriendinnen, ga langs bij haar pianoleraar en nog wat van dat soort mensen. Tenslotte instrueer ik Pete, mijn achttienjarige neef alias internetgoeroe. Veel schiet ik niet op en ik besluit een bezoek te brengen aan Sofie’s middelbare school.
Een half uur later sta ik voor de plaatselijke Kruidvat. Van hieruit heb ik uitzicht op de middelbare school van Sofie. De regen slaat genadeloos in mijn gezicht en trekt een ijskoud spoor via de kraag van mijn jas over mijn rug. Pete belde me in de auto: op Sofie’s internetprofielen is niet veel schokkends te vinden. De normale zaken voor een veertienjarige, vriendinnetjes, flirten, feestjes, Hollands next topmodel voorspellingen.
Het gewone meisjes gedoe volgens Pete. Hij gaf me wat namen en signalementen door van klasgenootjes en mogelijke vriendjes. Ik moet ergens beginnen. Na twee uur posten bij het schoolplein ben ik nog niet veel wijzer en een stuk natter door die klote regen.
Mijn telefoon gaat. Ik gris mijn Nokia uit mijn tas en kijk naar het display. Een 030 nummer. De van Leeuweberghjes.
‘Ank Hoekstra,’ zeg ik zakelijk.
‘Mevrouw Hoekstra,’ hoor ik aan de andere kant. Het aardappelgeluid raakt me in mijn maag. Wat een misselijke stem heeft die kerel toch.
‘De eis is gesteld op twee miljoen. We hebben tot maandag’
Wat?! Ik hou mijn adem in. Fuck. Dit is weer het echte werk. Een flits van de ontvoering van Timmie van den Oever dringt zich op.
Weggelopen met een scharrel kan ik nu definitief wegstrepen. Ik voel toch medelijden met de stijve meneer van Leeuwenbergh, het is heftig om zoiets te horen.
‘Wat afschuwelijk meneer, dat is een hele schok...’ begin ik. Hij laat een stilte vallen. Niets verraadt enige emotie.
‘Heeft u al vorderingen gemaakt?’ zegt hij uiteindelijk.
Vorderingen. Het gaat om zijn kind verdomme! Zijn kind, zijn meisje, dat in doodsangst ergens vastzit.
‘Kijk, mevrouw Hoekstra, het geld is uiteraard geen probleem, maar u begrijpt dat ik het liever op mijn rekening houdt. Dus kunt u mij antwoord geven op mijn vraag? Hoe staat het ervoor?’
Jezus. Ongelooflijk dit.
‘Houdt u eigenlijk wel van Sofie..?’ Ik kan het niet laten.
Het blijft stil aan de andere kant van de lijn.
‘Doet u nu maar gewoon uw werk,’ klinkt het kil. Hij hangt op, zonder groet, maar dat ben ik inmiddels van hem gewend.
Het raakt me harder dan ik toe wil geven. Flarden herinneringen aan mijn eigen jeugd komen boven. Het woedende, machteloze gevoel in mijn buik dat ik zo goed ken neemt bezit van me.
‘Klootzak!’ Mijn plotselinge tranen vermengen zich met de regen.
Ik heb er helemaal genoeg van, van de regen, van de Van Leeuwenberghjes, van Sofie en vooral ook van mezelf. Sta ik hier in de stromende regen. Dertig jaar. Een veredeld washok als huis. Geen man, geen kind. Niet eens een huisdier. Mijn ouders al jaren niet meer gezien, geen broers en zussen. Waarom ben ik hier eigenlijk? Hier in de regen, zoeken naar een vroegrijp meisje met een vader die haar terugkomst ziet als een zakelijke transactie. Zodat het perfecte plaatje weer compleet is voor zijn vrinden van de Rotary Club.
Ik druip af, ik kan dit niet aan. Dan maar geen tienduizend euro. Ik red me wel. Er komt vast wel weer een vrouw voorbij die haar kerel niet vertrouwt en mij op pad stuurt voor een paar honderd euro.
‘Een koffie graag,’ vraag ik aan de barman van een buurtkroeg, ‘en heb je misschien een handdoek?’
Een uur en vier koffie later ben ik weer wat opgeknapt. De anonieme buurtkroeg met zijn keurige tafeltjes, Douwe Egberts koffie en stamgasten die op dit tijdstip al beneveld uit hun ogen kijken was precies wat ik nodig had.
Ik haal de foto van Sofie uit mijn zak en staar naar haar mooie, droevige gezicht. Nu ik rustiger ben en meer bij mezelf voel ik een sterke verbintenis met het meisje.
‘Jij kunt er ook niks aan doen hè...’ fluister ik naar de foto.
Ik kan haar niet laten barsten, iets zegt me dat ik dan mezelf laat barsten. Het nare gevoel van net maakt plaats voor een veel krachtiger gevoel.
Vechtlust.
Ik wenk de barman en reken af.
Woensdag, 14 mei 2008, 15.00
Ik sta weer bij de school van Sofie. Jonge mensen met zware schooltassen zwermen over het schoolplein. Groepjes vormen zich, sigaretten worden gerookt. Mooie meisjes, onopvallende meisjes. Puistjes en teveel aftershave. Het is er allemaal op deze paar vierkante meter.
‘Ok... wat nu...’ Mijn hersenen draaien overuren.
Ik schrik me rot van mijn eigen mobiel die op trillen staat in mijn broekzak. Ik vis ‘m eruit, het is Pete.
‘Ik denk dat ik weet wie het is!’ zegt hij opgewonden.
Ik luister naar zijn verhaal en de adrenaline gaat steeds harder door mijn aderen stromen.
‘Je bent geweldig Pete!’ Zo snel en onopvallend mogelijk loop ik naar mijn auto en type het adres in dat Pete me heeft opgegeven. Zo snel als mijn Opel Corsa mij toestaat ben ik op het adres. Het is een vrijstaand huis. Mooi, maar het kan een likje verf gebruiken.
Ik kijk in de spiegel, stift mijn lippen en pak alles wat ik nodig heb.
‘Ok Ank. Nu komt het er op aan.’ Ik glimlach niet bepaald overtuigend naar mijn spiegelbeeld en loop het verwaarloosde tuinpad op.
Mike van den Brink opent de deur gekleed in een smoezelige korte broek en een bruin, ontbloot bovenlichaam. Voor zijn leeftijd heeft hij een verrassend strak lijf.
‘Hi...’ zegt hij zwoel, terwijl hij me diep in mijn ogen aankijkt, ‘kan ik je ergens mee helpen?’ Ik kijk hem lachend aan en zorg dat hij goed zicht heef op mijn decolleté.
‘Ik ben van de Eneco en wil graag je meterstand opnemen als dat even uitkomt?’ Ik knipper verleidelijk met mijn ogen.
Ik kijk goed naar zijn reactie. Hij aarzelt, niet lang, maar ik zie het. Mike verbergt iets.
‘Bingo Pete,’ denk ik. Hij heeft talent hoor, die neef van me. Na lang doorklikken op Sofie’s hyves kwam Pete een opmerking tegen van Mike, haar veertigjarige hockeycoach. De opmerking was een reactie op een krabbel van Sofie:
Heb je een leuke vakantie gehad? Ik zie je op de training!
Verborgen bij één van haar vele foto’s stond zijn reactie:
‘Tuurlijk, voor je er erg in hebt zie je me weer...’
Het is een gok, het zou onschuldig kunnen zijn. Maar mijn nekharen vertellen me een ander verhaal. Mike is fout en niet zo’n beetje ook.
‘Nou... ik ben een beetje druk eigenlijk,’ zegt Mike nu tegen mij.
‘Het duurt echt maar even, scheelt je een hoop gedoe!’ zeg ik geroutineerd. Ik gebruik dit trucje wel vaker, heb zelfs een fake identiteitsbewijs en papieren bij me.
‘Ok dan... Daar is het.’ Hij stapt opzij en wijst naar een hokje onder de trap. Hij verliest me geen seconde uit het oog. Shit. Hoe leid ik hem af?
Alsof mijn gebeden worden verhoord gaat er een telefoon in de woonkamer.
‘Neem maar hoor, ik weet hoe het moet, ben zo klaar’ zeg ik met een knipoog. Met een laatste blik op mij verdwijnt hij naar de woonkamer. Ik luister scherp naar het gesprek. Het klinkt als zijn moeder of zus. Er wordt geïnformeerd naar zijn vakantie. Mooi, dat duurt wel even. Mijn speurdersinstinct neemt de overhand, het machtige gevoel, de reden waarom ik deze business ben ingegaan. Ik schat de afstand in en neem de gok. Ik schiet de trap op, als hij me betrapt heb ik ook hier een Eneco smoes voor klaar. Iets met bedrading gecombineerd met een lieve glimlach. En anders heb ik altijd nog mijn stiletto. Ik sta op de overloop en concentreer me. Ik lokaliseer de geluiden. Het gesprek beneden verplaats ik naar dat deel van mijn brein dat me waarschuwt als het de afrondende fase bereikt. De normale huisgeluiden filter ik, op zoek naar iets abnormaals. Dit alles in een fractie van een seconde.
Dan is het er. Het komt mijn linkeroor binnen. Voorzichtig, het streelt mijn oorschelp. Zo zacht is het, zo teer. Het is huilen. Ik weet het zeker. Hier in huis wordt gehuild.
‘Sofie...’ Het emotioneert me. Ze is hier.
Beneden praat Mike nog steeds over zijn duikavonturen, zich onbewust van mijn tot de haarvaten gespannen lichaam boven zijn hoofd. Het geluid komt van zolder. Snel maak ik een afweging. Nu? Weggaan en terugkomen is geen optie, hij zal me geen tweede keer binnenlaten. Ik moet vertrouwen in mezelf hebben. Dit is wat ik kan; hiervoor ben ik opgeleid.
Als een kat sluip ik de zoldertrap op en open de deur.
Sofie ligt in de hoek van de zolder. Ik scan de ruimte, verhuisdozen, op een ruwe houten vloer. Stof stuift op onder mijn voorzichtige voetstappen. Het kleine raampje met de donkere lap stof ervoor laat gefilterd licht toe. Bloedheet is het en ik ruik haar angst. Sofie is gekneveld als een wild dier en haar ogen staan panisch. Paniekerige ogen vangen mijn blik en verzachten als ze de mijne ontmoeten. Het zijn de ogen van een jong meisje die in mij direct een bondgenoot herkennen. Het moment zou mooi zijn als het niet zo levensgevaarlijk was. Voor haar, maar ook voor mij. Ik grijp mijn mes en loop op haar af. Ze zal eerst losmoeten, met meer bewegingsvrijheid hebben we meer kans. Vol vertrouwen kijkt ze me aan als ik haar nader.
‘Ik krijg je hieruit Sofie, ik ben er voor je...’ zeg ik zachtjes. Dit meisje redden is voor mij ineens het enige dat telt, het belangrijkste in mijn leven.
Er verandert iets in haar blik. Op slag, er trekt een donkere onheilspellende waas over het tere blauw. Voor ik het kan interpreteren zie ik hem in de weerspiegeling van haar wijd opengesperde ogen.
Mike slaat me keihard in mijn nek. De slag laat me naar voren vallen. Mijn ervaring laat me niet in de steek, voor ik land weet ik mijn lichaam een kwartslag te draaien.
‘Vuile trut, ik maak je af!’ schreeuwt hij en stort zich op me. Ik strek mijn rechterarm en vang zijn lichaam op met mijn vlijmscherpe stiletto. Het mes verdwijnt als boter in zijn buik en ik trek het horizontaal door. Mike lijkt niets te merken en ik bid, ik schreeuw, laat het genoeg zijn! Sofie schreeuwt nu ook, Mike’s handen klauwen om mijn nek en knijpen zo hard dat ik mijn wervels denk te voelen kraken. Dit hou ik niet vol. Vlekken vertroebelen mijn zicht en Mike’s gezicht golft voor mijn ogen. Oh god laat me niet sterven met het gezicht van deze man op mijn netvlies.
Help... Nee! Het gegil van Sofie wordt zachter… Zijn dat engelen die zingen…? Beelden komen en gaan en het zwart trekt.
Dan wordt de druk minder. Lucht strijkt langs mijn gepijnigde luchtpijp en bereikt mijn gillende longen. Het duurt even voor mijn hersenen de draad weer oppakken waar deze werd doorgesneden.
‘Fuck!’ Ik schiet met mijn rug tegen de muur en hou mijn bebloede stiletto voor me uit. Wild schieten mijn ogen heen en weer en registreren dan het lichaam van Mike. Bloed druipt langs zijn flanken op de vloer. Het doordrenkt het aftandse Perzische tapijtje. Hij ligt er al even, blijkbaar ben ik echt even out geweest.
‘Hij is dood.’ Het is Sofie. Haar stem klinkt verrassend rustig en helder. Voorzichtig draai ik me om, ik wil haar niet laten schrikken. Ik vang haar blik en zie dat ik dichterbij mag komen. Langzaam kruip ik naar haar toe en snij haar boeien los. Ze zucht diep als ik haar in mijn armen neem en zachtjes wieg.
‘Het is voorbij lieverd..’ zeg ik geruststellend en veeg het bloed van haar gezichtje.
Ik schrik op van een geluid. Door mijn gespannen zenuwen had het net zo goed een vliegtuigbom kunnen zijn.
Mijn mobiel. Een sms.
‘We zijn een lang weekend naar Cannes. U kunt contact opnemen met onze butler m.b.t. uw voortgang. A. van Leeuwenberg’
Ik hou de trillende Sofie in mijn armen en voel warm gal opkomen. Ik kan niet voorkomen dat ze het bericht ziet. Ze kijkt me aan en de herkenning die ik in haar ogen zie heeft iets magisch. Ik voel dat haar lichaam zich ontspant en dat ze me vertrouwt.
‘Kan ik op je rekenen, Sofie?’ zeg ik zachtjes.
Ze knikt nauwelijks zichtbaar. Ik hoef dit meisje niets uit te leggen. Ze is mijn kleine soulsister. Mijn hart klopt warm als het zich vult met liefde voor haar. Ik ondersteun haar naar beneden en spreek geduldig met haar het plan door. Ons plan, het vormt zich tussen onze verhitte gezichten en opgewonden gepraat. Later help ik haar in bad en in het bed van ons nieuwe huis. Ik ga zonder enige vermoeidheid te voelen aan de slag. De klus geeft me vleugels; mijn levenswerk.
Dinsdag, 27 mei 2008, 16.00
Ik lig op mijn strandbedje en voel de zon branden. Ik smeer mijn gebruinde huid loom in met olie. ‘A Sex on the beach please..’ zeg ik vanachter mijn Gucci zonnebril tegen de lekkere ober in zijn strakke witte pak.
Ik kijk naar de azuurblauwe zee die prachtig contrasteert met het gouden zand en zie haar uit de golven komen. Ze ziet er schitterend uit in haar witte bikini. Vanaf hier zie ik het witte verband om haar hand. De enige herinnering aan de nachtmerrie van haar ontvoering en haar vorige leven. In goed overleg en met voldoende verdoving had ze het er graag voor over. Haar pink trok de van Leeuwenberghjes eindelijk over de streep en hielp ons aan de twee miljoen en de tickets naar ons nieuwe bestaan.
Ik glimlach en zwaai naar haar. Sofie zwaait vrolijk lachend naar me terug en komt mijn kant op.
Ik toets snel een sms op mijn prepaid:
‘Laat die tienduizend euro maar zitten’
Ik druk op send. De rugzak van mijn leven voelt ineens een heel stuk lichter. Sofie ploft naast me neer en vertelt opgewonden over welke tropische vissen ze nu weer heeft gezien. Ik droom langzaam weg op de klanken van haar stem.
Leuk? Lees dan ook
Blond en
TBS.
© Heleen van der Kemp