Member details
 Show in normal design
Veel leesplezier. Vind je een verhaal leuk? Laat het me weten d.m.v. een reactie/respect. Dat motiveert enorm om door te schrijven.

En als je het leuk vindt om digi-leesvrienden te worden: vooral doen! Leuk :-d

Liefs, Heleen

Ps. Mijn verhalen gebeuren alleen in mijn hoofd, geen zorgen om mij dus...
 
Friday, 12:48
‘Weet je al meer van de politie?’ Ze klinkt ver weg en dat is ze ook.
‘Nee, niets.’ Ik zucht en klem de hoorn strak tegen mijn hoofd. Alsof ze dan dichterbij is, mijn oor gloeit ervan. We laten een stilte vallen en ik kijk de ruimte in. De ruimte die mijn huis is, maar toch zo anders is nu. Sinds die avond. Die avond in het bos. Het bos van mijn jeugd.

‘Zal ik naar je toekomen?’
Ze is zo lief.
‘Nee joh, dat hoeft echt niet...’
Ja! Ja, alsjeblieft Marjolijn, kom bij me! Laat me niet alleen! Mijn gedachten schreeuwen bijna mijn mond uit.
‘Ik zal mijn leven toch echt weer op moeten pakken...’ Mijn stem trilt.
‘Ik wil niet dat een of andere psycho alles verziekt.’
We rekken het gesprek, wisselen informatie uit die er niet toe doet. Recepten, werk, het weer. De ondertoon, de onderstroom, is onze band. De band die alleen maar sterker is geworden de afgelopen twee weken.
‘Ik ga nu echt ophangen...’
‘Ja...’
‘Lukt het echt?’
‘Jawel. Het gaat... Dag lieverd.’
‘Dag...’
Klik. Ze is weg. Ik ben alleen.

Ik voel direct de vertrouwde paniek opkomen en grijp naar de plastic zakjes die ik nu altijd in de buurt heb. De eerste hyperventilatieaanval voelde als het einde. Ik weet nog dat ik dacht dat dat misschien ook maar het beste was. Liever zo. Liever zo dan... Nee, niet aan denken. De strakke band om mijn hart trekt aan en ik adem in en uit door het zakje. Focus. Denk niet aan...

Joel.

Daar is hij weer. Genadeloos dringt hij zich op in mijn hoofd. Hij vult het helemaal op en trapt tegen de binnenkant van mijn ogen. Hij neemt bezit van me. Zijn handen zijn overal en ik voel de boomschors weer tegen mijn wang schuren. De vertrouwde geur van het bos raakt de binnenkant van mijn neus en ik ben weer even terug in het moment waarop mijn leven veranderde. Word ik gek? Ik laat me languit op het parket vallen. De pijn en het contact met de grond helpen me aarden. Het koele hout voelt geruststellend en mijn demon trekt langzaam de vloer in. Weg van mij, en langzaam word ik weer mij.

Na een ondefinieerbare hoeveelheid tijd weet ik mijn vermoeide lichaam op de bank te hijsen. Het begint al donker te worden en ik voel me een leeggeprikte ballon na een mislukt feest. Opgebruikt en waardeloos.
Ik denk nog wel eens aan mijn leven voor de avond. Hoe kleine zorgen mijn leven konden beheersen. Dat is het enige voordeel van met de dood bedreigd worden. Alles valt weg. Er is nog maar één zorg en dat is Hij.
Hoe blijf ik hem een stap voor?
Hoe blijf ik uit de buurt van zijn vlijmscherpe mes?

De briefjes en de telefoontjes begonnen direct de volgende dag. Ik had het grootste gedeelte van de nacht op het politiebureau doorgebracht. Joel le Coeur is al tien jaar vermist kreeg ik te horen. De zaak is verjaard. Zonder getuigen en bewijs was ik nergens. Toch werd mijn verhaal heel serieus genomen in verband met een aantal onopgeloste moorden op prostituees. Jonge vrouwen, verkracht en opengesneden. Weggegooid als oud vuil onder bruggen en in vuicontainers. Ik gaf over op de tafel.

‘Cherie, nog twee dagen en dan is het tijd.’ Stond er keurig getypt op het briefje dat bij mijn ouders in de brievenbus lag. De politie nam het mee voor onderzoek en postte een agent voor onze deur. Die twee dagen waren hels. Ik sloot me op in de badkamer en deed alleen maar open als mijn bezorgde moeder eten kwam brengen. De tijd verstreek en de twee dagen gingen uiteindelijk dodelijk langzaam voorbij.

no name










Er gebeurde niets. Helemaal niets.
Daarna kwam de woede. Woedend werd ik op Joel en de macht die hij over mij dacht te hebben. Om een reden die wat mij betreft net zo verjaard was als zijn zogenaamde vermissing.
‘Ik ga mam,’ zei ik na een week, ‘terug naar Amsterdam. Het is mooi geweest, ik heb er genoeg van.’ Strijdlustig propte ik mijn kleren in de weekendtas en binnen een uur zat ik in mijn auto richting Amsterdam. Snelheid is belangrijk in een gevecht tegen doodsangst.

Nu zit ik hier alweer twee dagen en het is stil. Te stil. Geen telefoontjes, geen brieven en een volgepropt programma om maar niet te hoeven voelen. Ik ben zelfs weer gaan werken vandaag. Iedereen was lief voor me en de afleiding was zo welkom. De paniek kwam maar een keer of vijf opwellen. Dan ging ik met mijn plastic zakjes naar het toilet en staarde net zo lang in mijn holle ogen tot het weer ging.

Elf uur. De klok in mijn keukentje stuurt me naar bed. De vermoeidheid slaat als op commando in als een bom en ik sleep me naar de badkamer.

Ik klik het licht aan en de roodgekalkte letters op de spiegel vallen me net iets eerder aan dan hij dat doet.

‘Het is tijd Cherie!’



Lees ook: Gestrand, Het cadeau, Sofie, Blond en TBS

© Heleen van der Kemp



10 Aug, 14:46
‘Wat wil je drinken?’ Aline praat al een beetje met dubbele tong. Met wat spuug op mijn vinger veeg ik de doorgelopen mascara onder haar oog vandaan. Rare gewoonte die ik van mijn moeder heb overgenomen.
‘Hè bah, dat vind ik altijd zo smerig als je dat doet!’ Ze duwt me speels van zich af.
Ze lacht. Ik ook. Deze situatie hebben we al wel duizend keer meegemaakt.
Aline is een dag over uit Groningen en we zijn al vanaf een uur of vijf vanmiddag in de stad.
Het is inmiddels elf uur en we zijn in de kroeg beland. Het is mijn stamkroeg, waarom weet ik eigenlijk ook niet.

no name










Het is veel te klein, de muziek staat te hard en de wijn is wrang. Toch voel ik me er thuis, al jaren. De hitte van de dag is de kroeg ingedrongen en maakt de bezoekers loom en zweterig. Je ruikt het ook. Nu er geen sigarettenrook meer is om geuren te verhullen zweeft er van alles rond. Parfum, deodorant en wasmiddel mengen zich tot één synthetische geurdeken die niet in staat blijkt om de menselijke lucht te verbloemen. Zweet. Knoflookadem. En nog meer van die aantrekkelijke luchtjes. Ik voel me een beetje misselijk worden en ik adem een paar keer diep in door mijn mond.
‘Doe maar een spa rood,’ zeg ik. Even de alcohol en het eten neutraliseren.

Eigenlijk vind ik het niks om eerst uit eten te gaan en dan nog de kroeg in. Liever of het één of het ander. Na een restaurantbezoek komt er vaak een soort vermoeidheid over me heen. Het is ook het hele ritueel. Voorgerecht, hoofdgerecht, nagerecht, koffie. Dan de rekening en daarna is het klaar. Afgelopen. Punt. Daarna doorgaan naar de kroeg geeft het gevoel opnieuw te moeten beginnen terwijl je net hebt afgesloten. Bovendien begint je zorgvuldig voorbereide uiterlijk ook al wat glans te verliezen. Net wat teveel knoflook in de aioli, dat laatste glas wijn had je beter kunnen laten, en je jurkje zit nu eigenlijk toch wel net te strak in plaats van net niet.
Ik zie het ook aan Aline. Haar wangen zijn vuurrood, daar heeft ze een bloedhekel aan weet ik, en haar quasi nonchalant opgestoken haar begint uit te zakken.
Haar ogen flitsen onrustig heen en weer op zoek naar mannelijk schoon. Een prooi voor de avond. Dat klinkt wat bot om te zeggen over een goede vriendin, maar ik zou het niet anders kunnen omschrijven. Ze jaagt, ze vindt, en dan bepaalt ze haar strategie. Ze wint altijd, ook al denken de mannen in kwestie dat zij hebben gewonnen. Ik weet echter, als eeuwige toeschouwer, dat zij het is die alles bepaalt. Ze is de koningin van het bal, de generaal in het liefdesspel. In oorlog en liefde is alles geoorloofd is dan ook haar lijfspreuk.

Ik kijk met haar mee, als een soort sidekick. We wisselen informatie uit, en bepalen samen het target. Het is niet zo dat ik de lelijke vriendin ben, helemaal niet, maar ik heb gewoon niet dát wat zij heeft. Die magnetische aantrekkingkracht op mannen die ze zelf tot stand brengt met haar hongerige ogen. Mijn ogen zijn anders, rustiger, meer verlegen. Mijn ogen hoorden ook jaren lang bij een ander paar ogen. De ogen van Sjoerd. Au, dat doet pijn. De gedachte aan Sjoerd treft me weer op de bekende plek, net onder mijn middenrif. Daar zit de klomp verdriet die maar niet verdwijnt. Shit, shit, shit. De misselijkheid neemt toe en ik hoor maar half het geklets van Aline. Ik zoek steun aan de bar en neem een grote slok spa rood. Het pijnlijke paniekerige gevoel neemt wat af en ik krijg weer wat grip. Ik zucht diep. Aline merkt er allemaal niets van. Jagen vernauwt haar bewustzijn.

‘Die dan, wat vind je van hem? Te jong denk je?’ Ik kijk in de richting van haar knikje en zie een gespierde jongen van amper twintig. Pff.
‘Ja, schat, die is zeker te jong..’ Blij met de afleiding ga ik mee in haar spel. Langzaamaan krijg ik er lol in. Als kersverse vrijgezel is het ook best lekker om met zo’n rasverleidster op pad te zijn. Ik verschuil me veilig achter haar kunsten en het haalt me even uit mijn sombere stemming die nu al precies drie weken, zes dagen, drie uur en achtenveertig minuten duurt. Daar ga ik weer. Niet doen.
‘Ja, doe toch nog maar een witte wijn,’ zeg ik tegen de vriend van het doelwit van Aline. We weten allebei dat we voor de show zijn, maar we hebben het wel gezellig. ‘Ben zo terug, even naar het toilet’. Als ik terugloop denk ik zelfs even na over hoe het zou zijn om te zoenen met de vriend van Prooi. Ik glimlach en voel direct de verdrietklomp spreken. Nee dus. No way.

‘He meissie..’ Met een ruk draai ik me om. Ik wil hem omhelzen, ik wil hem slaan, ik wil wegrennen en heel dichtbij komen. Ik doe niets. Volledig verstijfd kijk ik in de vertrouwde ogen.
Hij raakt mijn bovenarm aan. ‘Gaat ie?’ vraagt hij. Gaat ie, gaat ie? Nee, natuurlijk gaat ie niet! Maar ik zeg niets. Ik kijk alleen maar. Hij glimlacht zijn kuiltjes en geeft me een aai over mijn wang. ‘Hé, ik zie je wel weer hè..’ Hij draait zich om en loopt naar een tafeltje voorin bij het raam. Zijn beste vriend Chris zwaait vrolijk naar me. Ik weet mijn arm omhoog te krijgen in een soort van zwaaibeweging. Mechanisch draai ik me om en weet mijn plek aan de bar te bereiken. Vriend van prooi is nu zelf prooi van een roodharige dame. Gelukkig maar. De barman kijkt me bezorgd aan en schuift me een glas water toe. Het lieve gebaar laat mijn ogen vollopen. Nee, nee, niet nu. Ik richt mijn ogen op een vast punt en eis van mijn tranen dat ze blijven waar ze zijn. Het lukt.
‘Jezus, wat een smerige klootzak ben jij!’
Oh, oh. Aline. De drank valt verkeerd. Ze staat abrupt op en ik zie het begin van haar kous. Ze pakt mijn hand en troont me mee naar voren, de kant op waar ik zo graag wel en niet wil zijn.
‘Je wilt niet weten wat hij tegen me zei!’ roept ze verontwaardigd.
Nee, dat wil ik inderdaad niet weten.

Dan zie ik het gebeuren. We vinden een tafeltje, en op het moment dat Aline gaat zitten treft haar blik doel. Als in een vertraagde film draai ik mijn hoofd mee en ben ik getuige van het moment van inslag.
De jacht is opnieuw geopend.
‘Nee, Aline, nee,’ stamel ik.
Ze trekt met moeite haar blik los.
‘Wat?’ zegt ze, terwijl ze precies weet wat ik bedoel.
‘Niet doen...’ zeg ik zwakjes.
‘Hé, ik ga even gedag zeggen ja, ben zo terug,’ en weg is ze. Als een actrice in een hele slechte film schuif ik even later ook aan en begin krampachtig een gesprek met Chris. De tweede vriend van een prooi die avond. Alleen is de prooi nu de liefde van mijn leven. De klomp verdriet scheurt zich een weg door mijn ingewanden en na een tijdje kan ik het niet meer aan.
‘Ga je weg?’ vraagt Chris bezorgd. Hij kent me ook wat langer dan vandaag.
‘Ja, ik ga, ik moet morgen vroeg op,’ zeg ik met een klein stemmetje. Hij trekt me naar zich toe en geeft me een knuffel. ‘Take care Sanne...’ Aline biedt nog halfslachtig aan om met me mee te gaan. ‘Weet je het zeker?’ zegt ze, terwijl ze Sjoerds blik niet loslaat. Ik zeg haar dat ik vast ga, dat ze toch mijn huissleutel heeft en dat ik haar wel zie verschijnen. Sjoerd kijk ik niet aan, dat is teveel. Ik voel wel zijn bezorgdheid, maar ook hij doet niets. Gestrikt als een konijn.

Zo snel als de drukke kroeg het toelaat vlucht ik naar buiten en om de hoek laat ik mijn tranen eindelijk hun gang gaan. Hoe kan ze? Hoe kan hij! In paniek graai ik in mijn tas op zoek naar mijn fietssleutels. Ik moet weg hier, nu. Shit, ik heb haar spullen nog. Verdomme. Met lood in mijn schoenen loop ik de paar meter terug naar de kroeg. Ik oefen al mijn er-is-niks-aan-de-hand glimlach als mijn intuitie me door het raam laat kijken en me getuige laat zijn van het slot van de slechte film van de avond. Of misschien nog niet eens het slot. Ik laat de deurklink los en staar naar binnen. Aline en Sjoerd, Sjoerd en Aline. Ik zie zelfs een stukje tong. Chris zit gegeneerd met de rug naar ze toe. Ergens had ik toch nog hoop. Hoop op de kracht van onze vriendschap in haar geval, en onze liefde in zijn geval. Ik dacht, als ik vertrek dan bestaat het niet, dan schuift ze gewoon straks naast me in bed. Niets aan de hand. Maar nee, onze vriendschap en liefde blijken niet bestand tegen drank en hormonen. Flinterdun.
De verdrietknoop knapt uit elkaar en laat een kil gevoel achter. Als ijs. Ik draai me rustig om van het tafereel achter het raam dat op de wallen niet zou misstaan en prop haar portemonnee, mobiel en sleutelbos door de eerste put die ik tegenkom.
Als ik later in bed lig wordt er lang aangebeld.
Rustig sta ik op en loop naar de badkamer op zoek naar oordopjes. Mijn ogen zijn rood en opgezwollen, maar om mijn lippen speelt een triomfantelijk glimlachje.

In oorlog en liefde is alles geoorloofd, nietwaar Aline?



Leuk? Lees dan ook: Gestrand, Het cadeau, Sofie, Blond en TBS

© Heleen van der Kemp


30 Jul, 17:59
‘Ja, ik vond het ook gezellig, hmm... Ja... Wat zeg je? Inderdaad, dat moeten we veel vaker doen... En weet je Mar, ik...’ Shit. Batterij leeg. Beschaamd kijk ik om me heen, het geeft altijd zo’n stom gevoel als je middenin een gesprek stilvalt. Alsof je gesprek is mislukt, en jij dan ook een beetje. Zoiets. Slaat nergens op, en al helemaal hier niet. Ik kijk om me heen en zie niets dan zwarte vormen. Vormen van bomen en struiken, zwak verlicht door de laatste stralen van de zon. Het vertrouwde bos scheidt de boerderij van mijn ouders van het dorp waar Marjolijn woont met haar man. Het ruikt lekker in het bos, het heeft hard geregend en de grond veert een beetje mee met mijn voetstappen. De lucht lijkt zwanger van geuren. Hout, zand, bladeren vermengen zich tot een aroma waar ik van hou, het aroma van mijn jeugd.

no name










Vanavond was echt fijn, fijn en vertrouwd. Marjolijn, mijn lieve jeugdvriendin. Meer dan twaalf jaar deelden we lief en leed, tot ik naar de stad vertrok om te studeren en zij hier achterbleef en haar eigen kapperszaak begon. We bezwoeren elkaar contact te houden, het liefst hadden we die eed met bloed bevestigd weet ik nog, zoals we wel vaker hadden gedaan.
‘Maar daar zijn we nu wel een beetje te oud voor he...’ zei de Marjolijn van toen.

Te oud. Ik glimlach. Achttien en volwassen, we geloofden het echt. Het gekke is dat ik me nu, vijftien jaar later, eigenlijk minder volwassen voel dan toen. Vreugde maar zeker ook verdriet, littekens, de echte en de meer verborgen mentale, hebben voor meer voorzichtigheid en onzekerheid gezorgd. Destijds niet, de wereld lag open, alles kon, en ik was er helemaal klaar voor. Onbevreesd en onbevangen. Soms keer ik terug naar het dorp van mijn jeugd om daar weer wat van te voelen. Het hangt er nog een beetje, in mijn oude slaapkamer, in de straten, en in dit bos. Dit weekend had ik het meer nodig dan ooit. De stad en de stress vreten teveel aan me.

Verstoppertje spelen, kastanjes zoeken en later vrijen met vriendjes en joints roken. Dit bos ademt mijn herinneringen, misschien is het dat wat ik ruik. Zoete herinneringen. Ik glimlach en voel een bijna spirituele kracht en rust over me heenkomen.

‘Magisch he, zo’n donker bos?’ De man verschijnt vanachter een boom en laat mijn hart even stoppen. De schrik is zo enorm dat ik moet kokhalzen. Mijn knieen worden week, en ik laat me zakken op de zachte bosgrond. Lang duurt de verdoving niet, andere stoffen in mijn bloed beginnen voort te razen. Een enorme helderheid verdringt de rose die ik kort hiervoor met Marjolijn heb gedronken. Ik krabbel op en stort me het donkere struikgewas in; het pad af, de vallende nacht in. Ik ken dit bos op mijn duimpje, ik moet de weilanden aan de rand zien te bereiken, dat is mijn enige kans. Daar begint de bewoonde wereld weer. Ik ren, ik ren voor mijn leven. Het komt niet in me op dat de man een wandelaar is die houdt van de nachtelijke boslucht. Deze man niet. Zijn duistere aura ademde kou en iets kwaadaardigs. Mijn onderbewustzijn registreert zoiets vlijmscherp. Dat heb ik wel geleerd door de jaren heen.

Takken slaan in mijn gezicht, boomwortels versperren mijn pad. Duwend en struikelend ren ik door. Hij is dichtbij, ik hoor zijn adem, voel hem naderen. Nee, nee, alsjeblieft! Ik dwing mijn longen en mijn benen tot het uiterste. Maar dan is daar toch zijn greep, een ijzeren hand sluit om mijn bovenarm en stopt me in mijn vlucht. Hij trekt me naar achteren en uit mijn evenwicht. Ik verzet me zo goed ik kan, ik schop, bijt en trek, maar de man omklemt mijn armen en bekijkt me met rustige aandacht. Mijn nagels hebben een rood spoor op zijn gezicht achter gelaten, maar het lijkt alsof hij het niet voelt. Geroutineerd draait hij mijn armen op mijn rug en drukt me tegen een boom. De ruwe barst schuurt over mijn gezicht en het hout drukt de adem uit mijn pijnlijke longen.
‘Ik hou eigenlijk best van vrouwen weet je...’ Zijn stem is zacht en vloeiend als zijde met iets van een accent. De klank zou mooi kunnen zijn als die duivelse ondertoon er niet was.
‘En van jou hou ik al heel erg lang mon chérie...’ Hij brengt zijn gezicht wat dichterbij het mijne. Het zwakke licht geeft niet veel prijs.
‘Het is jouw schuld, dat ik ben wie ik ben... Je liet me wachten en wachten,’ zijn stem wordt harder, tot ik je hier betrapte met je broek op je knieen met die Max!’ Een diep geluid als van een gewond dier ontsnapt uit zijn keel.

Een flashback van mijn ontmaagding dringt zich op. Max en ik, zestien jaar oud, 4 HAVO, hier in dit bos. Ik zal het nooit vergeten en blijkbaar is er nog iemand die het nooit zal vergeten. Natuurlijk wist ik wel dat die stille Franse jongen uit Atheneum 6 verliefd op me was. Natuurlijk wel. Maar voor mij was alles een spel in die tijd. Mijn leven bestond uit uitgaan, kleren, jongens, vriendinnen. Mijn lange blonde haar en mooie gezichtje onderstreepten mijn zorgeloosheid. Ik was jong, mooi en sterk en lachte met mijn vriendinnen om de briefjes die ik kreeg met de mooie Franse teksten. Ik speelde met hem, vertelde hem dat onze tijd wel zou komen. Ik weet niet waarom ik dat deed; ik hield van de macht die ik uitoefende met mijn schoonheid en sexualiteit.
“Joel...’ smeek ik, ‘laat me los, ik wist het niet, echt niet!’ Hij hoort me niet eens en praat door met zijn stem die nu de juiste laatjes in mijn hoofd opentrekt.
‘Sindsdien is er wat veranderd, jij hebt me veranderd.’ Hij zucht diep vanuit de donkere spelonken van zijn herinnering.
‘Ik vermoord vrouwen, ik kan niet anders, ik snij ze langzaam open en laat ze smeken.’ Hij drukt me harder tegen de boom en ik verwacht ieder moment het mes. Zijn gezicht komt dichtbij het mijne en hij beroert mijn wang. Hij trekt een spoor over mijn kaak, langs mijn nek en laat uiteindelijk zijn hand op mijn rug rusten. Daar waar mijn hart als een bezetene klopt. Zijn bijzondere stem fluistert woorden, het is moeilijk ze aaneen te rijgen tot een betekenis.
‘En weet je wat het leuke is?’ ontcijfer ik uiteindelijk, ‘ik laat ze eerst een tijdje wachten op hun dood. Net zoals jij mij beloofde dat mijn tijd wel zou komen. Au revoir, mon cherie... Au revoir...’

Plotseling verdwijnt de pijnlijke greep om mijn armen en slokt de nacht de man op die vanaf nu mijn hoofd en hart zal beheersen. Huilend vervolg ik het pad door het bos van mijn jeugd dat nu ook het bos van mijn doodvonnis blijkt te zijn.

Leuk? Lees dan ook: Gestrand, Het cadeau, Sofie, Blond en TBS

© Heleen van der Kemp
13 Jul, 18:31
‘Verdomme, kutkind!’ met een ruk schiet ik overeind en schop de bal weg zover ik kan. Dat is niet ver op een bomvol strand kan ik je vertellen. Een gladgeoliede rug draait zich woest om. Echt geen zin in! Ik kijk onschuldig weg en richt mijn eigen woede op het jongetje dat verbouwereerd aan de rand van onze handdoeken staat.
‘Sorry mevrouw...’ zijn lip trilt. Het lichtblauwe zwembroekje plakt van het zand en de zonnebrandolie die zijn moeder rijkelijk op zijn lijfje heeft gesmeerd.
‘Ze bedoelt het niet zo, het geeft niet…’ Jeroen bemoeit zich ermee met sussende stem. Sukkel. Mijn irritatie bereikt nu echt het hoogtepunt.
‘Bemoei je er niet mee, Jeroen,’ ik spreek iedere woord langzaam uit en ga dan maar weer liggen voor ik van pure woede oververhit raak.

Augustus in Nederland. Dertig graden, Scheveningen. Heel Nederland is neergestreken op de smalle kuststrook. Parkeerproblemen en ijsjes. Friet en roodverbrande neuzen.

no name








Weken heeft het geregend. Wie het kon regelen vertrok naar het buitenland. Naar plaatsen als Alanya, Marbella en Chersonnisos. Of naar Zuid Afrika, de Seychellen of Thailand voor de dikkere portemonnee. Degenen die het niet breed hebben, geen tijd of om anderen redenen niet weg konden vliegen, keken reikhalzend uit naar een dag als deze. Zo ook Jeroen en ik. Dat wij het druilerige Nederland niet verlieten had als reden dat ik zwanger ben.
Mijn zwangerschap overviel ons allebei en Jeroen wil nu geen onverantwoorde uitgaven doen. Lekker dan. Mij overviel deze zwangerschap ook. Zo erg dat ik bijna flauwviel toen ik het positieve testresultaat zag.
Ik weet namelijk niet van wie ik zwanger ben.
Zuchtend draai ik me op mijn buik. Het lichaamsdeel dat de afgelopen weken mijn leven volledig beheerste. Daarvoor was dat een heel ander lichaamsdeel.
‘Wat heb je toch?’ hoor ik naast me, ‘zijn het je hormonen? Nu al?’ er klinkt bezorgdheid in zijn stem door. Om mij, of om het vooruitzicht van negen zware maanden met een onhebbelijke vriendin. Hij prikt in mijn zij. Ik ben zo gespannen dat ik me wild schrik.
‘Jezus Syl! Slecht geweten?
Hij moest eens weten.
‘Laat me nou maar even Jeroen, zullen inderdaad de hormonen wel zijn...’ ik pak mijn IPod en probeer mijn onrust weg te gummen met muziek. Mijn ogen vallen dicht achter mijn zonnebril en ik vergeet voor even alle mensen en het zand. Langzaam dommel ik weg en voel mijn spieren eindelijk ontspannen.

Pijn en bloed. Ik ben in een operatiekamer, mijn benen zijn wijdgespreid. Overal zijn mensen in groene pakken. Geen gezichten, geen genade.
‘Mamma, help, ik ga dood!’ ik gil en schreeuw, maar niemand geeft antwoord. Dan een gezicht. Het is Jeroen. ‘Stel je niet aan Sylvia, je hebt gewoon een kind gekregen.’
Stel je niet aan?
Dan nog een gezicht. Eerst wazig dan langzaam duidelijker.
‘De vraag is alleen van wie...’
Kyrian kijkt koud en gaat naast Jeroen staan. Een gezichtsloze arts legt een perfect baby jongetje in hun armen. Ze kijken me strak aan.
‘Zullen wij hem dan maar meenemen?’ zegt Jeroen tegen Kyrian, ‘zo’n slet kan onmogelijk een goede moeder zijn, toch?’
Voor mijn ogen lossen ze alle drie op.
‘Nee!’ ik schreeuw en trek, maar ik blijk geboeid, vastgegespt aan het bed.

‘Mevrouw?’ het blauwgezwembroekte jongetje zit naast me in het zand. Ik schrik op en ben hem eeuwig dankbaar. Het was een droom. Gelukkig maar. Ik lach naar het jongetje, hij lacht terug met zijn vergevensgezinde onschuld.
‘U moet de groeten hebben van uw vriend,’ zegt hij dan. Ik kijk naast me, Jeroen's plek is leeg. Waar hij met zijn zwembroek heeft gelegen is nog een natte plek zichtbaar. Een stille getuige van zijn aanwezigheid. Geruststellend om te zien na mijn droom. Jeroen, mijn rots in de branding. Kyrian, mijn tsunami. Ik weet wat me te doen staat en ik hoop dat het nog niet te laat is.
‘Uw vriend is een lieve meneer,’ klinkt het naast me. Tranen branden in mijn ogen.
‘Ja mannetje, dat heb je goed gezien...’ Ik veeg over mijn wang en vermeng tranen met zand en Nivea
‘Veel liever dan ik en dat moest maar eens afgelopen zijn.’ Het jongetje kijkt me aan met een veel te wijze blik. Even lijkt hij eerder een jaar of zestig in plaats van zes. Wat is dat toch met sommige kinderen? Dan staat hij op en verliest zich al snel weer in zijn spel met zijn oudere zusje.

Ik speur om me heen of ik Jeroen zie. Nu ik mijn besluit heb genomen wil ik ook niet langer meer wachten. Ik ga alles opbiechten en hem vertellen hoeveel ik van hem hou. Dat ik toch echt met hem verder wil, dat hij de man voor mij is. Dat Kyrian slechts een vlucht was, dat ik bevestiging nodig had. Ben ik nog wel mooi, ben ik nog wel aantrekkelijk? Ik zal ook uitleggen dat dat heel normaal is, dat staat ook wel eens in de Viva. Ook dat je er samen sterker uit kan komen.

Alsjeblieft Jeroen.
Vergeef me.
Alsjeblieft.

Ik kam mijn haren, doe Deo op en wat van mijn nieuwe lipgloss. Ik check mijn gezicht in mijn spiegeltje en goedkeurend knipoog ik naar mezelf. Ik kijk naar beneden naar mijn lichaam in de gestreepte bikini. Bruine, sterke benen, een lichtbollend buikje en goede tieten. Niks mis mee. Waar blijf je nou Jeroen? Ik wil met je praten, je vasthouden, je troosten, je woede zien en ondergaan. En dan samen naar huis om het goed te maken. Ik wil met je vrijen, al onze muren en problemen wegneuken. Dat kan toch wel? Vol zelfvertrouwen sta ik op en zigzag tussen alle glimmende lijven naar de waterrand. Het koude water omstroomt mijn enkels. Het kalmeert, verkoelt en onderdrukt voor even mijn opkomende bezorgdheid. Hij is wel erg lang weg. Ik check mijn horloge: een uur. Jeroen is een uur weg sinds ik wakker werd, misschien dus nog wel langer...

Onrustig staar ik over het strand. Waar kan hij zijn? Wat is hij aan het doen? Een wandeling? Zwemmen? IJsjes halen? Parkeergeld bijvullen misschien? Zoveel opties en geen antwoorden. Ik loop terug naar mijn handdoek en besluit nog wat te gaan slapen. Dat kan ik ook wel gebruiken na de stress van de afgelopen tijd. Ik sluit mijn ogen, leg beschermend een hand op mijn buik en vertrek weer naar een staat van bewustzijn waar zorgelijke beelden regeren.

Als ik wakker word moet ik plassen en heb ik kippenvel. Het strand is praktisch verlaten en ik zie nog net het blauwe zwembroekje verdwijnen dat nu ook een T-shirtje aanheeft. Ik schiet omhoog en zie dat de vloed een goed stuk van het strand heeft opgegeten. Het water is nog maar een meter van mijn handdoek verwijderd.
‘Shit!’ roep ik uit de grond van mijn hart.
‘Je was goed vertrokken hè meissie,’ een man van een jaar of zeventig zit me aan te staren.

‘Mijn vriend...’ stamel ik verward, ‘waar is mijn vriend?’ Paniekerig kijk ik om me heen. Volstrekt zinloos klop ik met mijn hand op zijn handdoek. De natte plek is inmiddels opgedroogd.
De man kijkt me lang aan.
‘Blond?’ vraagt hij dan, ‘heeft je vriend blonde krullen?’
‘Ja!’ roep ik, ‘ja, dat is Jeroen!’
‘Aha,' zegt de man, ‘ja ja, die heb ik zeker gezien... Hij zat heel lang met z’n mobiel te spelen, daarna zei hij nog wat tegen dat jongetje achter jullie en toen liep hij weg.’
De man raakt even mijn arm aan en gaat dan verder met het inpakken van zijn tas.

Mijn kippenvel maakt nu plaats voor ijzige rillingen. Trillend pak ik mijn mobiel uit mijn tas.

1 Nieuw bericht zegt mijn Nokia.

Ik open de sms.

‘Wel je sms’jes wissen als je vreemdgaat. Ik wil je nooit meer zien. Je ex’

Ik barst in huilen uit terwijl het water mijn tenen bereikt.



Dit verhaal is ook geplaatst op www.alleenmaarzwanger.nl

Lees ook: Het cadeau, Sofie, Blond en TBS

© Heleen van der Kemp

TBS
2 Jul, 19:59
‘Ga zitten’
Ik type nog even snel een mail af terwijl ik hem met een glimlach verwelkom in de kleine kamer aan de achterkant van mijn huis. Het is dertien februari, de winter heeft eindelijk vat gekregen op Nederland. Het vriest, sneeuwt en de luchten zijn staalblauw. Alles wat je van een winter zou verwachten.
De eerste berichten over een Elfstedentocht zijn begonnen en ik heb last van mijn wintertenen.

Dat kwaaltje heb ik al sinds mijn dertiende, het klinkt een beetje als een oud-vrouwenkwaaltje. Toch ben ik pas zesendertig. Of pas... Dat ligt eraan tegen wie je het zegt. Toen ik zelf een jaar of achttien, twintig was vond ik zesendertig stokoud. Moeders met kinderen, niet sexy en eigenlijk bestonden ze niet eens in mijn ogen. Ik keek er doorheen op straat, alsof ze lucht waren. Oud, afgedankt en niet interessant. Een ander leven, een andere wereld. De wereld van U zeggen en volwassenen. Niet hip, niet trendy.
Nu ben ik zelf zesendertig, de reclames voor haarkleuringen en antirimpelcremes zijn ineens op mij van toepassing. Wanneer is dat gebeurd? Hoe ging dat? Op een avond trokken dergelijke reclames niet mijn aandacht en een avond erna dacht ik ineens: Hé, dat zou wel wat voor mij kunnen zijn?
Zo ging het ook met die eerste grijze haar, die eerste rimpel. Verschrikkelijk, je wilt het niet weten, je kijkt in alle mogelijke gezichtspunten en licht-intensiteiten, maar helaas, ze zitten er nog. Toch went het, die eerste rimpel zie je na een tijdje niet meer, je gaat kraaienpootjes zelfs wel charmant vinden. Die eerste diepe langs je neus vind je minder, tot ook die je niet meer opvalt. Grijze haren verf je weg met tinten als Kopermahonie of Tasmanian Ceder. Zesendertig jaar.
Dat ben ik.
En ik ben ik.

Eigenlijk hoort het niet, dat een patiënt binnenkomt en dat je dan nog even je werk afmaakt. Ik kijk hem niet eens aan, want ik weet al zo goed hoe hij eruit ziet. Veertig jaar is hij, klein van stuk, afhangende schouders maar met een verrassend sterke handdruk. Ik hoor de hakken van zijn schoenen over mijn houten vloer gaan. Hij loopt richting de oude oranje fauteuil die ik van mijn oma heb geërfd; nog even en hij gaat zitten, met een plofje. Zijn handen vouwt hij vervolgens om de versleten leuningen en hij zal zeggen:
‘Dag Irina... Hier ben ik weer...’
Mij oren spitsen zich om te wachten op de vertrouwde signalen dat ik nu echt mijn werk moet afsluiten om mijn aandacht op hem te richten.

Het blijft stil.
Ik schrik ervan. De temperatuur in de kamer lijkt een paar graden te dalen. Mijn handen verlaten mijn toetsenbord en verplaatsen zich naar mijn hals om daar het tere vlees te strelen.
‘Max?’ Mijn stem galmt door de kleine maar hoge ruimte.
Mijn ogen zoeken hem en treffen de slanke man in de hoek van mijn spreekkamer. Hij staat met de rug naar me toe en staart door het enige raam. De zware paarse gordijnen houdt hij opzij met een schijnbaar nonchalant gebaar van zijn linkerhand. Het witte overhemd plakt aan zijn rug en zijn heup maakt een semi-ontspannen hoek met zijn bovenbeen.

Dit is niet ok. Mijn tien jaar praktijkervaring als psychiater fluistert me in dat ik op mijn hoede moet zijn, en in gedachten scan ik zijn dossier:

Max Hellenius. Veertig jaar. Enig kind van gescheiden ouders. Hoogbegaafd, sloeg twee klassen over op de lagere school, één op de middelbare school. Cum laude afgestudeerd aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, Bedrijfseconomie. Op zijn vijfentwintigste volledig doorgedraaid op de dealing room van The Amsterdam Exchange aandelenbeurs. Zijn uitspraak: ‘Dood aan alle kapitalistische varkens!’ domineerde alle headlines van de kranten. Zes mensen verloren het leven op die maandagmiddag in 1992, en Max kreeg vijftien jaar opgelegd met TBS. Begin 2007 kwam hij mijn leven binnen, mijn behandelkamer, bij de zwaar bewaakte penitentiaire inrichting in Vught.

Eindeloze gesprekken hebben we gevoerd over het waarom van zijn daad. Hoe het kwam dat hij die bewuste dag een waas voor zijn ogen kreeg en iedereen als zijn vijand beschouwde. Moeilijke momenten waarin hij verteerd werd door berouw en snikkend als een kind op het tapijt lag, maar ook mooie momenten waarin onze therapeutische gesprekken een filosofische afslag namen. Max is een intelligente, prettige gesprekspartner. Max is echter ook zwaar gestoord. Zijn slachtoffers heeft hij vakkundig afgeslacht, zonder enig gevoel. Toch is het zelfs voor mij, doorgewinterde TBS hulpverleenster, moeilijk om dat niet af en toe te vergeten als hij me doordringend aankijkt met die diepgroene ogen. Met mijn collega’s voer ik lange evaluatiegesprekken over Max. We proberen een diagnose te stellen. Is Max een Psychopaat? Leidt hij aan het Meervoudig Persoonlijkheid Syndroom? Handelde hij onder invloed van een psychose? Soms lijken we het eens, maar altijd is er weer iets waardoor we twijfelen. We krijgen geen eenduidig beeld van hem, weten hem niet te plaatsen. Als kwikzilver glipt hij tussen onze bekwame vingers door.

Nu staat hij weer hier, voor zijn twintigste sessie met mij. Nerveus trek ik mijn halflange donkere haar achter mijn oren en kauw op een nagel.

‘Max?’ Ik probeer voor de tweede keer contact te zoeken.

Het werkt. Max draait zich met een ruk om en is in een fractie van een seconde bij mijn bureau. Hij steunt met zijn handen op de rand en buigt zo ver over het tafelblad heen dat zijn groene ogen op nog twintig centimeter afstand van mijn blauwe zijn. Ik voel zijn adem over mijn wang strijken en zie het kartelige littekentje op zijn wang. Hij heeft zich niet geschoren vandaag en ik ruik een vage zweetlucht. Zijn plotse nabijheid verwart me heftig en even vergeet ik alle protocollen. Ik schiet naar achteren met mijn bureaustoel en slaak een harde gil.

We staren elkaar aan. De vergrote fysieke ruimte tussen ons voelt prettig, maar de afstand die er nu emotioneel tussen ons is, is oneindig groot. Alsof de negentien voorgaande sessies voor niets waren, loze woorden als zandkorrels in een woestijn. Dat wil ik niet, dat sta ik niet toe. Ik sta op, en ondanks al mijn weerzin loop ik voorzichtig op hem af en raak zijn schouder aan.

De sterke man krimpt ineen onder mijn aanraking. Zijn schouders hangen en lijken te smal voor het witte overhemd. Zelfs zijn gezichtshuid lijkt slapper om zijn jukbeenderen en kaken te vallen.
Hij fluistert.
Ik versta hem slecht.
‘Wat zeg je Max?’
Hij draait zijn gezicht met de wonderlijke groene ogen naar me toe. Het oogwit is bloeddoorlopen.
‘Het was niet voor het eerst,’ zegt hij, nu overdreven duidelijk articulerend.

Met zachte druk leid ik Max naar de divan en hij laat zich gewillig achterover duwen. Ik leg een koele hand op zijn verhitte voorhoofd.

no name










Ik ben gespannen. Een doorbraak bij een patiënt blijft iets bijzonders. Natuurlijk voel ik met hem mee, maar er speelt ook trots mee als je als psychiater dit weet te bewerkstelligen, dat een patiënt je in vertrouwen neemt. Omdat hij weet dat alle informatie veilig is bij jou, tussen de vier muren van de praktijk.
Ik laat een stilte vallen zodat hij zijn tijd kan nemen.
‘Ik was vijftien toen het gebeurde,’ begint hij, de ogen gesloten.
Ik moedig hem aan met een zachte aanraking van zijn arm. Max begint te vertellen en neemt me vijfentwintig jaar mee terug in de tijd. Hij schetst voor mij hoe hij zich had verstopt in de tuin waar hij een goed zicht had op de mooie vrouw. De vrouw die zijn moeder had kunnen zijn, maar die hij obsessief lief had.
‘Ik dacht alleen nog maar aan haar...’ verzucht hij, badend in verhitte herinneringen. Max vertelt dat die dag anders was, dat zijn bloed door zijn aderen ruiste en druk op zijn ogen veroorzaakte.
‘Ook op andere plekken deed het zeer...’ Bijna verlegen wijst hij naar zijn kruis.
De vrouw droeg een lichtblauw zomerjurkje vertelde hij en ze hing de was op.
‘Ik weet nog dat ze een paar kersen van de grond opraapte, de kersenboom hing helemaal vol kersen,’ zijn ogen schieten heen en weer onder zijn oogleden.
De omschrijving van de gruwelijke daad die volgt schiet als een roes aan me voorbij. De overmeestering, de verkrachting en het uiteindelijke wurgen.
‘Het ging zo makkelijk, zo licht...’ Hoor ik Max nog zeggen.
‘Het duurde voor mijn gevoel anders uren,’ antwoord ik. Ik ben opgestaan op onvaste benen en heb de alarmknop onder mijn bureau ingedrukt.

De bewaking is er binnen enkele seconden. Ik laat Max ogen niet los, ik fixeer hem met mijn blik op de divan. Dan schend ik met alle liefde voor de eerste en waarschijnlijk laatste keer mijn beroepsgeheim.

‘Neem hem mee alsjeblieft,’ zeg ik trillend tegen de bewaker, ‘ik wil deze man nooit meer zien, hij heeft mijn moeder vermoord.’

Tegen Max weet ik nog net uit te brengen: ‘Ik was elf, en stond in de serre, ik zag jouw rug en haar sterven. We zouden samen kersen gaan plukken, mamma en ik. Je hebt mij die dag ook vermoord. Ik haat je Max Hellenius, ik hoop dat je rot in de gevangenis, ik zal er in ieder geval alles aan doen om je daar de rest van je zielige leven te houden.’

no name






Max groene ogen doven langzaam uit en hij sterft figuurlijk op de divan. Mijn leven kan juist weer beginnen. Vijfentwintig jaar na de dood van mijn moeder.



Lees ook: Het cadeau, Sofie, Blond en Gestrand

© Heleen van der Kemp
16 Jun, 18:51
Hij had lang en hard nagedacht over wat hij haar zou geven. Lang en hard waren zijn specialiteiten, zie je. Als zijn cadeau dat niet kraakhelder zou weerspiegelen, zou ze teleurgesteld zijn.
Een steek in zijn zij deed hem naar adem happen, en midden in de winkelstraat stond hij even stil. Hij zweette als een os. Hij was kapot. Hij had zich de laatste tijd ook zo afgebeuld. Maar het was de moeite waard geweest. Ze wist nu dat het hem menens was én dat hij een man van zijn woord was. Jou laat ik nooit meer gaan.
Hij veegde zijn vochtige handpalmen af. Het kwam helemaal op hem neer. Andere cadeaus zouden er niet zijn aangezien zij nu in feite geen familie meer had, geen vrienden en vriendinnen - alleen hem. Toen viel zijn blik op een etalage. Meteen wist hij het: hebbes! En dat was wat ook zij in één oogopslag zou beseffen. Zijn meisje. Haar lippen zouden gaan trillen.
Hij duwde zijn doorweekte overhemd wat dieper in zijn broek en ging de winkel binnen.

Hij twijfelde niet lang en liet zijn keuze bewonderend door zijn handen glijden. Voorzichtig legde hij het cadeau op de toonbank.
‘Wilt u dat ik hem inpak?’ Het winkelmeisje keek hem argwanend aan. Of beeldde hij zich dat maar in, dat ze zo keek? Hij kreeg het gevoel dat de muren op hem afkwamen, dat de lucht ijler werd. Zweet droop van zijn voorhoofd, het beet in zijn ogen. Wat moest ze wel niet van hem denken? Hij bekeek haar eens goed. Jong en blond. Ze wond hem op. Die onschuld, dat maagdelijk witte vlees. Zo was zij in het begin ook geweest, zijn meisje.
‘Nee, laat maar, hij gaat zo wel mee,’ zei hij. Hij kocht ook nog een kaart en schreef terplekke de tekst die hij al zolang in zijn hoofd had. ‘Voor Lisa’ schreef hij tenslotte op de envelop. Lieve, mooie Lisa.

Haar naam was sinds hun ontmoeting altijd in zijn hoofd aanwezig, zong rond in zijn schedel, resoneerde achter iedere zin. Lisa. De pracht van de zachte L-klank, de spanning van de i, de sensualiteit van de s, afgerond met de uitnodigende a klank. Lisa, Lisa, Lisa.
‘Wilt u pinnen?’ De stem van het meisje trok hem weer de werkelijkheid in. Hij keek naar het bedrag in het schermpje. Was het genoeg? Was dit de waarde die zij voor hem vertegenwoordigde? Zijn vinger trilde boven de Ja-knop.
‘Gaat het wel meneer?’ vroeg ze. Hij mompelde snel iets over griep, drukte hard op ‘ja’ en schoof het cadeau in zijn tas. Hij paste maar net. ‘U heeft betaald’ verscheen en na een haastige groet stond hij weer buiten.
‘Veel plezier ermee!’ riep ze hem nog na. Dat gaat wel lukken, dacht hij.

Nu nog even naar de supermarkt. Zo'n bijzondere avond vroeg om een bijzonder diner. Daar had Lisa gelijk in. Ze bleek heel lekker te kunnen koken, daardoor hield hij nog meer van haar. Ze maakte er ook altijd een heel ritueel van. Uren was ze bezig in de keuken en de deur ging altijd dicht. Het liefst verloor hij haar geen seconde uit het oog, maar het lekkere eten maakte veel goed. Hij proefde de ontluikende liefde en passie voor hem in haar gerechten. Toch had hij een week of twee geleden een keer onverwacht de keukendeur geopend om te kijken wat ze allemaal uitspookte. Dat was hem duur komen te staan. Ze haalde zo hard uit met de pollepel dat hij het gevoel had dat zijn neus brak. Het bloed spoot tegen de muur en de pollepel lag in stukken op de vloer. De keuken was echt haar domein, dat had ze hem die middag pijnlijk duidelijk gemaakt. Het was een ongeluk bezwoer ze hem nadat hij haar weer een aantal dagen in de kelder had moeten opsluiten. Hij vergaf haar. Het incident had hem tenslotte wel op hét idee gebracht. Achteraf gezien was dat de pijn wel waard.

Het was druk in de supermarkt. Daar hield hij helemaal niet van. Soms had hij het gevoel dat iedereen naar hem keek. Vandaag was zo’n dag en hij had het al zo warm. Snel liep hij langs de schappen en pakte wat hij nodig had. Ze had het heel nauwkeurig opgeschreven. Het was belangrijk dat hij dit goed deed, hij wilde haar niet boos maken. Dan zou ze weer dagen niet praten, terwijl haar stemgeluid voor hem net zo belangrijk was als ademhalen.
‘Meneer, kijk uit!’ Met een harde klap stootte een winkelwagen tegen zijn knie. Hij klapte dubbel van de pijn en een golf van misselijkheid deed hem bijna braken. Een koele hand op zijn arm.
‘Bent u wel in orde?’ Een vrouw staarde hem aan.
‘Hier is uw tas en dit is geloof ik ook van u.’ Met een schok besefte hij dat ze het cadeau vasthield. Hij rukte het uit haar handen, greep zijn tas en hinkte richting kassa's.

Eenmaal buiten krabde de hoofdpijn met een mes aan de achterkant van zijn ogen. Gelukkig kwam lijn 6 er direct aan rijden. Hij stapte in en ging zo ver mogelijk achterin zitten. Hoe zou hij haar aantreffen? En erger nog, hoe zou ze reageren als bleek dat hij niet alle ingrediënten voor het avondmaal had? Hij sloot zijn ogen en dacht aan haar gezicht. Dat hielp altijd als de onrust in zijn hoofd hem teveel dreigde te worden.

Mooie Lisa. Hij zag haar op een dag zomaar lopen op straat. Jong, blond en betoverend. Het lange haar opgebonden in een paardenstaart. Hij was haar gevolgd, van groenteman naar bibliotheek, van fietsenmaker naar haar huis. Ze woonde op kamers in een oud herenhuis, niet eens zo ver van zijn woning. Haar naam zag hij op het naamplaatje naast de bel. Sinds die dag was ze niet meer uit zijn gedachten geweest. Zij was de vrouw voor hem. Zeker weten.

no name










Een paar dagen later hoorde hij voor het eerst haar stem. Hij was haar gevolgd naar de V&D in het centrum.
‘Hij moet lang en hard genoeg zijn,’ zei ze. Hij wist het nog precies. Zijn mond ging open en de woorden rolden naar buiten:
‘Lang en hard zijn mijn specialiteiten,’ zei hij. Even was het stil in de winkel. De man achter de kassa en Lisa keken hem verbaasd aan. Zelf kon hij ook amper geloven wat er net gebeurde. Hij had een grapje gemaakt. In het openbaar. Een pikant grapje nog wel!
Hij voelde het bloed naar zijn hoofd stijgen en wilde het liefst terplekke sterven. Hij had het verpest. De stilte leek eeuwig te duren, maar toen gebeurde het. Ze lachte. Kort, maar onmiskenbaar. Liefde vulde zijn hart, dit was het teken dat hij nodig had. Zij wilde hem ook, overduidelijk. Ze draaide zich weer om.
‘Sorry mevrouw, daar kan ik u niet aan helpen, misschien kunt u het eens op internet proberen’. Ze bedankte de man en verliet de winkel. Hij bleef trillend achter, zijn lid kloppend in zijn Jaeger-onderbroek.

Daarna was het snel gegaan. Hij snapte ook wel dat ze wat tijd nodig zou hebben om zijn vrouw te worden. Ze was tenslotte ruim twintig jaar jonger dan hij. Een studente nog, terwijl hij al vierentwintig jaar op de polisadministratie van een verzekeringsmaatschappij werkte. Daarom was het gewoon nodig. Het was voor haar eigen bestwil, hij deed dit voor haar geluk. En natuurlijk ook voor dat van hem. Eerst had hij ervoor gezorgd dat zijn huis op orde was voor haar komst. De kamer aan de achterkant was perfect. Het raam keek uit op een blinde muur, dus die kon hij zonder problemen dichttimmeren. Dat zou niemand opvallen. Alle andere ruimtes voorzag hij van sloten. Zo kon hij bepalen hoeveel bewegingsvrijheid hij haar gaf. Dat kon steeds een beetje meer worden wat hem betrof. Hij was de kwaadste niet.

Zijn halte. Hij stapte uit de bus, liep richting huis en pakte zijn sleutelbos. Hij keek om zich heen of niemand hem zag en opende de voordeur met de zwarte Lips-sleutel. Hij had alle sleutels voorzien van een herkenningsteken, want hij had er inmiddels wel een stuk of twintig. Snel sloot hij de deur achter zich en stond voor de metalen tussendeur. Ze had geprobeerd om de scharnieren van de deur los te peuteren met een kurkentrekker, daarom had hij hem voorzien van eikenhouten balken die met kettingsloten aan de muur waren bevestigd. Dat was hard werken geweest, hij voelde de vermoeidheid in zijn spieren, maar het was het waard. Lisa was het waard. Al begreep hij niet waarom ze had geprobeerd de deur te forceren, net nu het zo goed ging tussen hen. Ze mompelde iets over dat de peper op was en hij besloot het er maar bij te laten. Voor deze ene keer. Zuchtend en zwetend opende hij de sloten. Zou hij dan toch echt de griep krijgen? Hij stapte de hal in en stond even stil bij de vele foto’s die hij van haar had gemaakt de afgelopen tijd. De mooiste tijd van zijn leven.

Er was wat veranderd in haar houding. Een maand geleden was ze voor het eerst gaan praten. Zomaar bij het ontbijt, hij verslikte zich bijna in zijn karnemelk. Ze zei dat ze het steeds leuker vond bij hem en dat hij best aantrekkelijk was voor een iets oudere man. Hij was direct opgestaan om haar te zoenen, maar met een best harde duw gaf ze aan dat ze daar nog niet aan toe was. Haar kracht was onverwacht gezien haar sterk vermagerde lichaam. Ze zag er ook niet meer zo gezond blozend uit. Ze kreeg een wat grijzig gezicht en het haar plakte als sliertjes spaghetti aan haar hoofd. Maar dat was maar tijdelijk. Na hun huwelijk zou ze best af en toe naar buiten mogen. Om boodschappen te doen bijvoorbeeld.

Ze werd na die ochtend steeds spraakzamer en bloeide zichtbaar op. Haar ogen kregen wat van het vuur terug en haar wangen kleurden lichtroze. ’s Avonds aan tafel proefde hij haar gerechten en vertelde dan over zijn dagelijkse beslommeringen op de polisadministratie. Terwijl ze aandachtig luisterde schepte ze hem nog eens op en soms raakte ze terloops zijn arm aan. Hij voelde zich dan voor het eerst in zijn leven de moeite waard en kreeg regelmatig tranen in zijn ogen van puur geluk.

Op één van de gezellige avonden samen aan tafel had hij haar gevraagd wat ze voor haar verjaardag wilde hebben. Ze gaf hem een blik die hij niet helemaal kon plaatsen, dacht even na en zei:
‘Weet je nog, onze eerste ontmoeting, toen je die ontzettend leuke grap maakte?’ Er trok iets bij haar mond. Natuurlijk wist hij dat nog, had hij geantwoord, niet zonder trots.
‘Nou, als lang en hard nog steeds je specialiteiten zijn dan weet jij vast wel wat ik wil hebben,’ zei ze. Potverdriedubbeltjes, had hij nu maar beter opgelet die middag. Hij vroeg het haar, wat ze nou eigenlijk had gezocht in de V&D, maar ze keek hem alleen maar mysterieus aan.
'Als je echt zoveel van me houdt zou je het moeten weten,' had ze teleurgesteld gezegd.

Nu stond hij hier in de hal en hoopte met heel zijn hart dat hij het juiste cadeau had gekozen. Hij hoorde vertrouwde geluiden uit de keuken en glimlachte verheugd. Snel glipte hij nog even het toilet in. Hij schrok behoorlijk van zijn eigen gezicht in de spiegel. Zweet gutste over zijn gelige gezicht en hij had diepe donkere wallen die hem een wat angstaanjagend uiterlijk gaven. De ruimte leek te bewegen en een golf van misselijkheid deed hem tollen op zijn benen. Alsjeblieft, dacht hij, niet nu. Hij wilde niet ziek zijn op deze bijzondere avond. Stiekem hoopte hij namelijk dat ze zich aan hem zou geven. Hij was er speciaal voor in bad geweest vanochtend.

‘Dag Victor,’ hoorde hij achter zich, ‘gaat het wel?’ Onvast op zijn benen draaide hij zich om en keek haar aan. Haar gezicht veranderde continu van vorm en hij leek niet goed te kunnen scherpstellen. Ze pakte hem bij zijn elleboog en dankbaar liet hij zich naar de eetkamer leiden. De tafel was feestelijk gedekt en ze had zelfs de krant voor hem klaargelegd zag hij.
‘Ga maar vast zitten, dan schenk ik je wat wijn in.’ Haar stem klonk rustig en wat zangerig. Ook al voelde hij zich steeds slechter, haar liefdevolle aandacht gaf hem toch wat nieuwe energie.
‘Ik ben bang dat ik niet alles heb kunnen vinden,’ stamelde hij. Ze keek hem aan en reageerde gelukkig kalm.
‘Geeft niets Victor, het belangrijkste had ik al in huis,’ zei ze en verdween heupwiegend naar de keuken. Naar haar domein.

Hij probeerde wat te lezen en rustig te blijven. Zijn hart sloeg af en toe op hol in zijn borstkas. Wat een akelige griep; misschien moest hij toch even gaan liggen. Maar daar zwaaide de deur al open. Ze kwam binnen met een dampende schaal. Met een glimlach schepte ze zijn bord flink vol. 'Ratatouille van het huis,' zei ze trots, 'speciaal voor jou'. Hij probeerde te genieten van de ongetwijfeld verfijnde smaak, maar de misselijkheid overheerste alles. Toch at hij alles op en spoelde het weg met de wijn die ze voor hem had ingeschonken. Hij wilde haar niet teleurstellen. Ze keek hem weer aan met die vreemde blik die ze wel vaker had de laatste tijd. Taxerend, leek het wel. Was dit dan het moment van de waarheid? Het moest maar, besloot hij. Hij hield het niet veel langer vol aan tafel.

‘Lieverd?’ begon hij, ‘na lang en hard nagedacht te hebben...’ Hij stopte even om te zien of zijn grapje het gewenste effect had. Ze glimlachte en hij voelde zich door haar gesterkt om door te gaan. ‘...heb ik een cadeau voor je gevonden. Hij is lang en hard, mijn specialiteit en gemaakt voor jouw specialiteit.’ Een felle pijnscheut deed hem naar adem happen. Hij greep met één hand naar zijn borst, haalde met de ander de kaart uit de envelop en schoof hem samen met het cadeau naar haar toe. Hij probeerde op te staan om haar te kussen, maar verloor zijn evenwicht en kwam met een doffe klap op de vloer terecht.
‘Ik voel me niet zo goed schoonheid,’ zei hij. De pijn werd in een razend tempo ondraaglijk, alsof tientallen ratten zich te goed deden aan zijn ingewanden. Hij voelde dat hij de controle over zijn blaas verloor.

Plots verschenen haar voeten in hooggehakte schoenen in zijn wazige blikveld.
‘Dat ging toch nog sneller dan ik dacht,’ zei ze, ‘maar ik had me geen mooier verjaardagscadeau kunnen wensen’. Hij voelde haar hand aan zijn haren trekken. Hij kreunde hard, terwijl ze zijn gezicht van de grond trok.
‘Ik heb ook nog iets voor jou’, zei ze en zette een potje op de grond. Hij herkende het direct. Langzaam drong het tot hem door. De kelder... de ratten... het gif. Hoe had hij zo stom kunnen zijn?

‘Waardeloos je cadeau,’ zei ze, ‘net zo waardeloos als jij bent.’ En dat was het laatste wat hij op deze wereld hoorde voor ze de prachtig bewerkte hardhouten pollepel met al haar kracht op zijn achterhoofd liet neerkomen. De kaart viel op de grond naast zijn hoofd.
In de snel groter wordende plas bloed viel nog net de tekst te lezen.
'Je bent alles voor me lieve Lisa, wil je met me trouwen? Voor altijd de jouwe, Victor.'


Leuk? Lees dan ook Sofie en Blond van mijn hand.

© Heleen van der Kemp



(Het Cadeau was mijn inzending schrijfwedstrijd uitgeverij contact, eerste alinea is van Renate Dorrestein)
8 Jun, 20:37
Maandag, 12 mei 2008, 15.00
‘Wij vertrouwen op uw discretie,’ De vrouw slaat haar lange glad geschoren benen over elkaar. ‘Geen woord tegen de politie of de pers’.
‘Geen woord tegen niemand!’ voegt haar man er bot aan toe. ‘Heeft u dat begrepen mevrouw Hoekstra?’
Ik knik en kijk over hun perfect gekapte hoofden heen naar de prachtige kunstwerken aan de muur. Klein voel ik me in deze ruimte. Het plafond is hoog en rijk bewerkt met stucwerk, glanzende kroonluchters geven de woonkamer van de familie Leeuwenbergh een bijna koninklijk allure. Ik wil niet dat ze mijn met de minuut groeiende irritatie zien, ik kan deze opdracht goed gebruiken. Het is alweer een tijdje geleden dat ik een klus had.

‘Kunt u het geld vanavond op mijn rekening storten?’ vraag ik, terwijl ik weer naar het stijve echtpaar voor me kijk, ‘ ten name van Hoekstra Private Investigation te Amsterdam? Het rekeningnummer staat op de offerte. Tienduizend euro, exclusief BTW’
‘Gaat u nu eerst maar eens aan de slag jongedame’ zijn stem heeft een hoog hete aardappel gehalte, ‘eerst maar eens zien of u die tienduizend euro wel waard bent.’
Onbewogen zitten ze naast elkaar op de leren chesterfield. Veertigers. Gebruind, gespierd en gekleed in dure pastelkleurige merken. Niets verraadt enige emotie. Gladde perfectie en beheersing. Ik heb met oud geld te maken. Mevrouw schuift een beetje heen en weer over de bank, haar zijden rokje kruipt wat op en showt een gespierd tennisdijbeen. Ze schraapt haar keel; ze lijkt nu wat slecht op haar gemak.
‘Is alles duidelijk zo?’
Ze wil duidelijk van me af. Ik krijg zin om haar pijn te doen, een schop te geven zodat dat masker van haar breekt in een kreet van pijn.

‘U weet dat ontvoerders het slachtoffer meestal doden binnen de eerste vierentwintig uur?’ Ik kies voor een mentale pijniging. Ik peil de effecten van mijn aanval op de gladde gezichten. Niets te zien. Meneer zucht diep en staat op.
‘Mevrouw Hoekstra,’ zegt hij kil, ‘vertrekt u nu maar voor ik me bedenk.’
Hij drukt me een envelop in mijn handen en manoeuvreert me richting hal. Voor ik het weet sta ik weer buiten.

Maandag, 12 mei 2008, 18.00
Een paar uur later zit ik op mijn bed. Het bed is de enige plek waar ik kan zitten in mijn appartement van twee bij drie op vier hoog in de Jordaan. Ik heb de krappe ruimte wat op proberen te fleuren met een donkerrode muur en een enorme spiegel in een gekrulde verzilverde lijst. De palm in de hoek schreeuwt om water en de paar mensen waar ik van hou heb ik ingelijst boven de schouw hangen. Ik scheur de envelop open en schud de inhoud op mijn bed. Foto’s, lijsten, brieven en mijn voorschot. Ik sorteer de fotos en de lijsten. Namen van vriendinnetjes, haar school, hockeyclub, balletles. Haar agenda zit er ook bij, vol foto’s van sterren die ik niet ken. Jongens met laaghangende broeken en halfnaakte popperige meisjes met zwoele blikken. Die waarschijnlijk ook nog kunnen zingen, of iets wat er op lijkt.
In haar agenda veel krabbels van vriendinnen en mysterieuze hints naar afspraakjes en feestjes. Wat dat betreft is er dus niet zoveel veranderd. Ik glimlach als ik even aan mezelf denk als veertienjarige. Moet Pete wel nog even haar Hyves, MySpace en Facebook laten bekijken. Dat is wél veranderd, en goed ook. De virtuele wereld biedt mij als privé detective een rijkdom aan informatie. Ik kijk naar de fotos van Sofie. Een verleidelijke blondine kijkt me brutaal aan vanaf het fotopapier.

Veertien is ze, maar ze lijkt wel vierentwintig. Als ik aan mijn eigen dertigjarige spiegelbeeld denk met mijn donkere ogen, geen make-up, donkere haren in een staartje en mijn kleine atletische gestalte, dan lijkt ze bijna ouder dan ik. Sofie op het hockeyveld, Sofie op het strand in een sexy bikini. Sofie in gala aan een rijk gedekte kersttafel met haar ontzettend gezellige ouders.
Eén foto raakt me. Het is een close-up van Sofie. Ze is zich niet bewust van de fotograaf, de foto pakt haar in een onverwacht moment. Haar gezicht ziet eruit zoals het eruit zou moeten zien, het gezicht van een jong meisje. Haar ogen kijken mijlenver weg en stralen een immense droefheid uit.
‘Waar ben je met je gedachten Sofie?’ vraag ik mezelf hardop af. Ik schuif alles weer terug in de envelop, alleen deze foto steek ik in de binnenzak van mijn leren jasje.
‘Kom op meisje, we gaan op pad, we vinden je wel’. Ik trek de deur achter me dicht en begin aan mijn opdracht. Ik stap in mijn onopvallende grijze Opel Corsa, pak mijn tom-tom en toets een adres in.

Maandag, 12 mei 2008, 16.00
Een paar kilometer verderop zit op een zolder een jong meisje. Ze draagt een hemelsblauw hemd en een boxershortje. Vegen donkerrood bloed vloeken met het lichte blauw. Haar lange haar plakt in golven om haar volslanke tienerlichaam. Ze is moe, maar vol vechtlust. Pientere blauwe ogen staan helder en zoeken contact met haar ontvoerder. Hij zit met zijn rug naar haar toe en scheurt bladzijdes uit tijdschriften.
‘Wat doe je?’ probeert het meisje. Contact leggen lijkt haar slim. Laat hem zien dat ze een mens is, van vlees en bloed, met gevoel.

Dinsdag, 13 mei 2008, 15.00
De hele ochtend heb ik besteed aan de aanknopingspunten die ik heb. Ik bel vriendinnen, ga langs bij haar pianoleraar en nog wat van dat soort mensen. Tenslotte instrueer ik Pete, mijn achttienjarige neef alias internetgoeroe. Veel schiet ik niet op en ik besluit een bezoek te brengen aan Sofie’s middelbare school.
Een half uur later sta ik voor de plaatselijke Kruidvat. Van hieruit heb ik uitzicht op de middelbare school van Sofie. De regen slaat genadeloos in mijn gezicht en trekt een ijskoud spoor via de kraag van mijn jas over mijn rug. Pete belde me in de auto: op Sofie’s internetprofielen is niet veel schokkends te vinden. De normale zaken voor een veertienjarige, vriendinnetjes, flirten, feestjes, Hollands next topmodel voorspellingen.
Het gewone meisjes gedoe volgens Pete. Hij gaf me wat namen en signalementen door van klasgenootjes en mogelijke vriendjes. Ik moet ergens beginnen. Na twee uur posten bij het schoolplein ben ik nog niet veel wijzer en een stuk natter door die klote regen.

Mijn telefoon gaat. Ik gris mijn Nokia uit mijn tas en kijk naar het display. Een 030 nummer. De van Leeuweberghjes.
‘Ank Hoekstra,’ zeg ik zakelijk.
‘Mevrouw Hoekstra,’ hoor ik aan de andere kant. Het aardappelgeluid raakt me in mijn maag. Wat een misselijke stem heeft die kerel toch.
‘De eis is gesteld op twee miljoen. We hebben tot maandag’
Wat?! Ik hou mijn adem in. Fuck. Dit is weer het echte werk. Een flits van de ontvoering van Timmie van den Oever dringt zich op.
Weggelopen met een scharrel kan ik nu definitief wegstrepen. Ik voel toch medelijden met de stijve meneer van Leeuwenbergh, het is heftig om zoiets te horen.
‘Wat afschuwelijk meneer, dat is een hele schok...’ begin ik. Hij laat een stilte vallen. Niets verraadt enige emotie.
‘Heeft u al vorderingen gemaakt?’ zegt hij uiteindelijk.
Vorderingen. Het gaat om zijn kind verdomme! Zijn kind, zijn meisje, dat in doodsangst ergens vastzit.
‘Kijk, mevrouw Hoekstra, het geld is uiteraard geen probleem, maar u begrijpt dat ik het liever op mijn rekening houdt. Dus kunt u mij antwoord geven op mijn vraag? Hoe staat het ervoor?’
Jezus. Ongelooflijk dit.
‘Houdt u eigenlijk wel van Sofie..?’ Ik kan het niet laten.
Het blijft stil aan de andere kant van de lijn.
‘Doet u nu maar gewoon uw werk,’ klinkt het kil. Hij hangt op, zonder groet, maar dat ben ik inmiddels van hem gewend.
Het raakt me harder dan ik toe wil geven. Flarden herinneringen aan mijn eigen jeugd komen boven. Het woedende, machteloze gevoel in mijn buik dat ik zo goed ken neemt bezit van me.
‘Klootzak!’ Mijn plotselinge tranen vermengen zich met de regen.
Ik heb er helemaal genoeg van, van de regen, van de Van Leeuwenberghjes, van Sofie en vooral ook van mezelf. Sta ik hier in de stromende regen. Dertig jaar. Een veredeld washok als huis. Geen man, geen kind. Niet eens een huisdier. Mijn ouders al jaren niet meer gezien, geen broers en zussen. Waarom ben ik hier eigenlijk? Hier in de regen, zoeken naar een vroegrijp meisje met een vader die haar terugkomst ziet als een zakelijke transactie. Zodat het perfecte plaatje weer compleet is voor zijn vrinden van de Rotary Club.
Ik druip af, ik kan dit niet aan. Dan maar geen tienduizend euro. Ik red me wel. Er komt vast wel weer een vrouw voorbij die haar kerel niet vertrouwt en mij op pad stuurt voor een paar honderd euro.

‘Een koffie graag,’ vraag ik aan de barman van een buurtkroeg, ‘en heb je misschien een handdoek?’
Een uur en vier koffie later ben ik weer wat opgeknapt. De anonieme buurtkroeg met zijn keurige tafeltjes, Douwe Egberts koffie en stamgasten die op dit tijdstip al beneveld uit hun ogen kijken was precies wat ik nodig had.

no name








Ik haal de foto van Sofie uit mijn zak en staar naar haar mooie, droevige gezicht. Nu ik rustiger ben en meer bij mezelf voel ik een sterke verbintenis met het meisje.
‘Jij kunt er ook niks aan doen hè...’ fluister ik naar de foto.
Ik kan haar niet laten barsten, iets zegt me dat ik dan mezelf laat barsten. Het nare gevoel van net maakt plaats voor een veel krachtiger gevoel.
Vechtlust.
Ik wenk de barman en reken af.

Woensdag, 14 mei 2008, 15.00
Ik sta weer bij de school van Sofie. Jonge mensen met zware schooltassen zwermen over het schoolplein. Groepjes vormen zich, sigaretten worden gerookt. Mooie meisjes, onopvallende meisjes. Puistjes en teveel aftershave. Het is er allemaal op deze paar vierkante meter.
‘Ok... wat nu...’ Mijn hersenen draaien overuren.
Ik schrik me rot van mijn eigen mobiel die op trillen staat in mijn broekzak. Ik vis ‘m eruit, het is Pete.
‘Ik denk dat ik weet wie het is!’ zegt hij opgewonden.
Ik luister naar zijn verhaal en de adrenaline gaat steeds harder door mijn aderen stromen.
‘Je bent geweldig Pete!’ Zo snel en onopvallend mogelijk loop ik naar mijn auto en type het adres in dat Pete me heeft opgegeven. Zo snel als mijn Opel Corsa mij toestaat ben ik op het adres. Het is een vrijstaand huis. Mooi, maar het kan een likje verf gebruiken.
Ik kijk in de spiegel, stift mijn lippen en pak alles wat ik nodig heb.
‘Ok Ank. Nu komt het er op aan.’ Ik glimlach niet bepaald overtuigend naar mijn spiegelbeeld en loop het verwaarloosde tuinpad op.

Mike van den Brink opent de deur gekleed in een smoezelige korte broek en een bruin, ontbloot bovenlichaam. Voor zijn leeftijd heeft hij een verrassend strak lijf.
‘Hi...’ zegt hij zwoel, terwijl hij me diep in mijn ogen aankijkt, ‘kan ik je ergens mee helpen?’ Ik kijk hem lachend aan en zorg dat hij goed zicht heef op mijn decolleté.
‘Ik ben van de Eneco en wil graag je meterstand opnemen als dat even uitkomt?’ Ik knipper verleidelijk met mijn ogen.
Ik kijk goed naar zijn reactie. Hij aarzelt, niet lang, maar ik zie het. Mike verbergt iets.

‘Bingo Pete,’ denk ik. Hij heeft talent hoor, die neef van me. Na lang doorklikken op Sofie’s hyves kwam Pete een opmerking tegen van Mike, haar veertigjarige hockeycoach. De opmerking was een reactie op een krabbel van Sofie:
Heb je een leuke vakantie gehad? Ik zie je op de training!

Verborgen bij één van haar vele foto’s stond zijn reactie:
‘Tuurlijk, voor je er erg in hebt zie je me weer...’

Het is een gok, het zou onschuldig kunnen zijn. Maar mijn nekharen vertellen me een ander verhaal. Mike is fout en niet zo’n beetje ook.
‘Nou... ik ben een beetje druk eigenlijk,’ zegt Mike nu tegen mij.
‘Het duurt echt maar even, scheelt je een hoop gedoe!’ zeg ik geroutineerd. Ik gebruik dit trucje wel vaker, heb zelfs een fake identiteitsbewijs en papieren bij me.
‘Ok dan... Daar is het.’ Hij stapt opzij en wijst naar een hokje onder de trap. Hij verliest me geen seconde uit het oog. Shit. Hoe leid ik hem af?

Alsof mijn gebeden worden verhoord gaat er een telefoon in de woonkamer.
‘Neem maar hoor, ik weet hoe het moet, ben zo klaar’ zeg ik met een knipoog. Met een laatste blik op mij verdwijnt hij naar de woonkamer. Ik luister scherp naar het gesprek. Het klinkt als zijn moeder of zus. Er wordt geïnformeerd naar zijn vakantie. Mooi, dat duurt wel even. Mijn speurdersinstinct neemt de overhand, het machtige gevoel, de reden waarom ik deze business ben ingegaan. Ik schat de afstand in en neem de gok. Ik schiet de trap op, als hij me betrapt heb ik ook hier een Eneco smoes voor klaar. Iets met bedrading gecombineerd met een lieve glimlach. En anders heb ik altijd nog mijn stiletto. Ik sta op de overloop en concentreer me. Ik lokaliseer de geluiden. Het gesprek beneden verplaats ik naar dat deel van mijn brein dat me waarschuwt als het de afrondende fase bereikt. De normale huisgeluiden filter ik, op zoek naar iets abnormaals. Dit alles in een fractie van een seconde.
Dan is het er. Het komt mijn linkeroor binnen. Voorzichtig, het streelt mijn oorschelp. Zo zacht is het, zo teer. Het is huilen. Ik weet het zeker. Hier in huis wordt gehuild.
‘Sofie...’ Het emotioneert me. Ze is hier.

Beneden praat Mike nog steeds over zijn duikavonturen, zich onbewust van mijn tot de haarvaten gespannen lichaam boven zijn hoofd. Het geluid komt van zolder. Snel maak ik een afweging. Nu? Weggaan en terugkomen is geen optie, hij zal me geen tweede keer binnenlaten. Ik moet vertrouwen in mezelf hebben. Dit is wat ik kan; hiervoor ben ik opgeleid.
Als een kat sluip ik de zoldertrap op en open de deur.

Sofie ligt in de hoek van de zolder. Ik scan de ruimte, verhuisdozen, op een ruwe houten vloer. Stof stuift op onder mijn voorzichtige voetstappen. Het kleine raampje met de donkere lap stof ervoor laat gefilterd licht toe. Bloedheet is het en ik ruik haar angst. Sofie is gekneveld als een wild dier en haar ogen staan panisch. Paniekerige ogen vangen mijn blik en verzachten als ze de mijne ontmoeten. Het zijn de ogen van een jong meisje die in mij direct een bondgenoot herkennen. Het moment zou mooi zijn als het niet zo levensgevaarlijk was. Voor haar, maar ook voor mij. Ik grijp mijn mes en loop op haar af. Ze zal eerst losmoeten, met meer bewegingsvrijheid hebben we meer kans. Vol vertrouwen kijkt ze me aan als ik haar nader.
‘Ik krijg je hieruit Sofie, ik ben er voor je...’ zeg ik zachtjes. Dit meisje redden is voor mij ineens het enige dat telt, het belangrijkste in mijn leven.
Er verandert iets in haar blik. Op slag, er trekt een donkere onheilspellende waas over het tere blauw. Voor ik het kan interpreteren zie ik hem in de weerspiegeling van haar wijd opengesperde ogen.

Mike slaat me keihard in mijn nek. De slag laat me naar voren vallen. Mijn ervaring laat me niet in de steek, voor ik land weet ik mijn lichaam een kwartslag te draaien.
‘Vuile trut, ik maak je af!’ schreeuwt hij en stort zich op me. Ik strek mijn rechterarm en vang zijn lichaam op met mijn vlijmscherpe stiletto. Het mes verdwijnt als boter in zijn buik en ik trek het horizontaal door. Mike lijkt niets te merken en ik bid, ik schreeuw, laat het genoeg zijn! Sofie schreeuwt nu ook, Mike’s handen klauwen om mijn nek en knijpen zo hard dat ik mijn wervels denk te voelen kraken. Dit hou ik niet vol. Vlekken vertroebelen mijn zicht en Mike’s gezicht golft voor mijn ogen. Oh god laat me niet sterven met het gezicht van deze man op mijn netvlies.
Help... Nee! Het gegil van Sofie wordt zachter… Zijn dat engelen die zingen…? Beelden komen en gaan en het zwart trekt.

Dan wordt de druk minder. Lucht strijkt langs mijn gepijnigde luchtpijp en bereikt mijn gillende longen. Het duurt even voor mijn hersenen de draad weer oppakken waar deze werd doorgesneden.
‘Fuck!’ Ik schiet met mijn rug tegen de muur en hou mijn bebloede stiletto voor me uit. Wild schieten mijn ogen heen en weer en registreren dan het lichaam van Mike. Bloed druipt langs zijn flanken op de vloer. Het doordrenkt het aftandse Perzische tapijtje. Hij ligt er al even, blijkbaar ben ik echt even out geweest.
‘Hij is dood.’ Het is Sofie. Haar stem klinkt verrassend rustig en helder. Voorzichtig draai ik me om, ik wil haar niet laten schrikken. Ik vang haar blik en zie dat ik dichterbij mag komen. Langzaam kruip ik naar haar toe en snij haar boeien los. Ze zucht diep als ik haar in mijn armen neem en zachtjes wieg.
‘Het is voorbij lieverd..’ zeg ik geruststellend en veeg het bloed van haar gezichtje.

Ik schrik op van een geluid. Door mijn gespannen zenuwen had het net zo goed een vliegtuigbom kunnen zijn.

Mijn mobiel. Een sms.

‘We zijn een lang weekend naar Cannes. U kunt contact opnemen met onze butler m.b.t. uw voortgang. A. van Leeuwenberg’

Ik hou de trillende Sofie in mijn armen en voel warm gal opkomen. Ik kan niet voorkomen dat ze het bericht ziet. Ze kijkt me aan en de herkenning die ik in haar ogen zie heeft iets magisch. Ik voel dat haar lichaam zich ontspant en dat ze me vertrouwt.
‘Kan ik op je rekenen, Sofie?’ zeg ik zachtjes.
Ze knikt nauwelijks zichtbaar. Ik hoef dit meisje niets uit te leggen. Ze is mijn kleine soulsister. Mijn hart klopt warm als het zich vult met liefde voor haar. Ik ondersteun haar naar beneden en spreek geduldig met haar het plan door. Ons plan, het vormt zich tussen onze verhitte gezichten en opgewonden gepraat. Later help ik haar in bad en in het bed van ons nieuwe huis. Ik ga zonder enige vermoeidheid te voelen aan de slag. De klus geeft me vleugels; mijn levenswerk.

Dinsdag, 27 mei 2008, 16.00
Ik lig op mijn strandbedje en voel de zon branden. Ik smeer mijn gebruinde huid loom in met olie. ‘A Sex on the beach please..’ zeg ik vanachter mijn Gucci zonnebril tegen de lekkere ober in zijn strakke witte pak.
Ik kijk naar de azuurblauwe zee die prachtig contrasteert met het gouden zand en zie haar uit de golven komen. Ze ziet er schitterend uit in haar witte bikini. Vanaf hier zie ik het witte verband om haar hand. De enige herinnering aan de nachtmerrie van haar ontvoering en haar vorige leven. In goed overleg en met voldoende verdoving had ze het er graag voor over. Haar pink trok de van Leeuwenberghjes eindelijk over de streep en hielp ons aan de twee miljoen en de tickets naar ons nieuwe bestaan.
Ik glimlach en zwaai naar haar. Sofie zwaait vrolijk lachend naar me terug en komt mijn kant op.

Ik toets snel een sms op mijn prepaid:

‘Laat die tienduizend euro maar zitten’

Ik druk op send. De rugzak van mijn leven voelt ineens een heel stuk lichter. Sofie ploft naast me neer en vertelt opgewonden over welke tropische vissen ze nu weer heeft gezien. Ik droom langzaam weg op de klanken van haar stem.

no name







Leuk? Lees dan ook Blond en TBS.

© Heleen van der Kemp
16 May, 12:33
Ik sta voor de deur en bel aan. In mijn ene hand heb ik een fles koude Chardonnay en in mijn andere hand een bos zonnebloemen. Haar lievelingsbloemen. Gezien de korte periode dat ik haar ken weten we al veel van elkaar besef ik. Vanavond wordt dat nog wat meer heb ik besloten; ik moet echt mijn verhaal kwijt.
‘Rianne!’ De deur zwaait open en een stralend gezicht vol sproeten verschijnt.
‘Eva!’ Ik geef haar de bloemen en de wijn en volg haar naar de woonkamer. Buiten is het donker en koud, maar hier is het gezellig. Ze heeft kaarsjes aangestoken en uit de keuken komt een verrukkelijke geur.
Na het eten zitten we samen op de bank. Ik schop mijn schoenen uit en voel me warm en loom. Afwezig kriebel ik haar kat Johan achter zijn oren.
‘Je wilde me toch wat vertellen?’ vraagt Eva en ze kijkt me warm aan. Ik kijk terug, slik een paar keer hard en voel de eerste traan al over mijn wang lopen. Voor ik het weet lig ik als een klein kind tegen haar aan te snikken.
‘Vanaf het begin graag...’ zegt ze en met horten en stoten begin ik te vertellen.
‘Het begon ongeveer een half jaar geleden...’ De woorden komen steeds soepeler en voor ik het weet ben ik weer terug in mijn gevoelens, gevoelens die ik het liefste zou vergeten. Gevoelens voor hem. De Smeerlap.

Ik zie mezelf weer zitten, achter mijn pc. Het is juni en warm. Mijn balkondeuren staan open en ik voel een lichte bries. Ik heb een koud glas wijn ingeschonken en voel me onbestemd. Dat heb ik de laatste tijd wel vaker. Het bekende ‘waarheen, waarvoor’ gevoel. Is dit nou de dertigersdip waar ze wel eens over schrijven? Maaike naar Australië, Brigitte twee kinderen, Amy zwanger van de eerste. Ik de eeuwige single.
Lang heb ik dat niet erg gevonden, maar ik merk dat het stappen en hier en daar eens een vriendje steeds leger begint te voelen. Mijmerend kijk ik voor me uit. Het zijn toch niet mijn eierstokken die beginnen te rammelen? Van schrik verslik ik me bijna in een veel te grote slok wijn. Ik lach om mijn eigen gedachten, maar weet dat er toch wel een kern van waarheid in zit.
Ik open mijn hotmail en scan mijn mail. Mijn moeder, Tiscali, wat Hyves krabbels en een mail met als onderwerp: Wil jij ook de liefde van je leven ontmoeten? Die lui van RelatiePlanet weer. Normaal delete ik dit soort mail direct, maar vanavond is anders. Vanavond ben ik in een zeer ontvankelijke stemming voor dit soort berichten. Ik klik de mail open en voor ik het weet zit ik mijn gegevens in te voeren. Ok, ik ben om; ook ik doe nu officieel aan internetdaten. Nadat ik een mooie foto van mezelf heb toegevoegd ga ik er eens goed voor zitten.
Al snel heb ik er spijt van. Het voelt naar en goedkoop. Al die mannen die naar je kijken, die op je reageren. Het lijkt wel alsof ze mijn woonkamer binnendringen. Chris, Yvo, Seth, Martijn, zoveel namen en evenzoveel gezichten. Gevatte teksten, zielige verhalen, oneliners vol spelfouten. Rechtstreekse verzoeken om seks. Jesse met zijn ‘ik val op oudere vrouwen’, Tim met zijn briljante ‘ik zoek een vrouw die goed kan koken’. Mijn stemming wordt er niet beter op en met een diepe zucht sluit ik mijn pc af. Verdrietig ga ik naar mijn bed dat nog nooit zo leeg aanvoelde als nu.
De volgende ochtend voel ik me iets beter op een wat zwaar hoofd na van de wijn. Ik ga mijn relatieplanet profiel verwijderen, iets wat je verdrietig maakt kan niet goed voor je zijn. Ik start mijn computer op en mijn inbox zit alweer vol met 20 nieuwe berichten. Zal ik nog even..? Ik twijfel en de nieuwsgierigheid wint het. Snel scan ik de berichten op foto en tekst.
Mijn adem stokt als ik in de mooiste blauwe ogen kijk die ik ooit heb gezien.
Wauw.
‘Wat ben je mooi’ Luidt zijn onderwerpregel. Snel klik ik door naar zijn tekst en ook die valt niet tegen.

Hey Rianne,

Ik had het hier al bijna opgegeven, toen ik jouw foto tegenkwam. Prachtig ben je! Je hebt vast heel veel reacties gehad, dus ik reken nergens op, maar ik wil je graag ontmoeten. Laat maar weten als jij ook zin hebt in een leuke, ontspannen avond in goed gezelschap.

Liefs,
Eric


Hè hè, normaal, rechtdoorzee en geen gedoe. Eric smaakt naar meer. Opgewonden type ik een antwoord. Met mijn telefoonnummer. Wie niet waagt wie niet wint. Toch? Zenuwachtig ga ik koffie zetten en het lijkt wel alsof ik vlinders in mijn buik voel.
‘Doe normaal Rianne’ ik spreek mezelf streng toe ‘Je bent 30, geen 13’
Het piepje van mijn mobiel klinkt als een blikseminslag door mijn stille woonkamer. Het zal toch niet? Ja hoor: het zal wel. Eric! ‘Vanavond iets te doen?’ staat er in het sms-je.

‘En zo begon het,’ zeg ik tegen Eva. Ik voel me al wat rustiger, het helpt om mijn verhaal te vertellen. Het is ook fijn dat ik Eva nog niet zo goed ken. Ik hoor mijn moeder al zuchten ‘Kind, ik had je toch gewaarschuwd voor dat internet’ of Amy met haar: ‘Hoe krijg je het toch altijd voor elkaar Rianne?’
‘Jij kan nog wel wat meer wijn gebruiken’ Eva schenkt me bij en ik vertel verder. Onze eerste ontmoeting. Ik dwing mijn gedachten terug naar die magische avond.

Ik ben bloednerveus en bang dat ik een veel te hysterische jurk aan heb. Rood en opvallend. Thuis draaide ik zelfverzekerd rondjes voor de spiegel, maar nu loopt het zweet over mijn rug en heb ik het idee dat ik mijn buik moet inhouden. Schichtig kijk ik om me heen in het veel te drukke cafe. Waarom ben ik hier in vredesnaam aan begonnen? Kijkt iedereen nu naar me of lijkt dat maar zo? Het bloed stijgt naar mijn hoofd en ik draai me om op mijn veel te hoge hakken. Naar huis, en snel ook.
‘Je bent echt mooier dan ik ooit had durven dromen,’ een zachte greep om mijn bovenarm en een warme stem in mijn oor, ‘en hoe weet je dat rood mijn lievelingskleur is?’

Eva kijkt me aan met opgetrokken wenkbrauwen.
‘Ja, ja,’ zeg ik, ‘ik weet dat dat enorm slijmerig en fout klinkt, maar niet bij hem. Zijn stem Eva, was zo prachtig, en die ogen. Ik weet zeker dat jij ook voor hem gevallen zou zijn.’
‘Wie weet..’ zegt ze, ‘maar je viel dus voor hem’
‘Ja, ik viel voor hem’, zeg ik, ‘keihard op mijn neus, al wist ik dat toen nog niet.’
Ik vertel Eva over de waanzinnige weken die volgden op onze eerste ontmoeting. Onafscheidelijk waren we, Eric en Rianne. Rianne en Eric. Soms wist ik bijna niet meer waar hij begon en ik eindigde. En dan heb ik het niet alleen over de seks die echt duizelingwekkend goed was, maar ook mentaal. Er was een soort band tussen ons, we maakten elkaars zinnen af, lachten om dezelfde grappen. Alle films die ik goed vond, noemde hij ook. De boeken die ik las stonden ook in zijn kast. Het was bijna eng. Hoe eng precies ontdekte ik na een maand.
‘He joh lieverd, je wordt helemaal bleek’ Eva tikt zacht tegen mijn wang, ‘als je niet verder wilt vertellen geeft dat niet hoor. Misschien moeten we even pauzeren?’
Ik zucht diep.
‘Nee, ik moet er maar eens doorheen.’ Ik trek mijn benen onder me en heb het ineens koud. Kippenvel trekt over mijn armen. Het zal de herinnering wel zijn. Aan die dag in juli. Het was bloedheet die dag, maar het werd de dag van één van mijn koudste herinneringen.

Ik trek met mijn vinger een plagend spoor over zijn rug, van zijn nek tot waar zijn billen beginnen. Een dun laagje zweet op een sterke, gebruinde rug. Ik voel de lust weer opkomen, ook al is dat anatomisch en fysiek totaal onverantwoord na afgelopen nacht. Ik zou kapot moeten zijn. Ik lach hardop.
‘Goedemorgen lekker ding...’ Hij draait zijn slaaphoofd naar me toe. ‘Weer wilde plannen?’ Zacht bijt hij in mijn nek. Een siddering trekt door mijn lichaam. Ik sla mijn armen om hem heen, maar hij maakt zich zacht maar beslist van me los.
‘Neeee, niet weggaan!’ Zeg ik met een aanstellerig stemmetje. ‘Blijf bij me!’ Hij kijkt me aan met een ondeugend lachje en drukt een laatste kus op mijn mond.
‘Voor je het weet ben ik bij je terug’ zegt hij ‘en dan zal ik je eens goed te pakken nemen...’

‘Toen kon ik daar nog om lachen, Eva, dat hij dat zei...toen nog wel’ Eva zegt niets en kijkt me geconcentreerd aan. Ik hervat mijn verhaal en vertel haar dat ik voor ik naar mijn werk zou gaan nog even de file-informatie wilde checken op zijn pc. De pc stond op zijn werkkamer. Ik ging de kamer binnen en ik weet nog dat het me verbaasde. Het klinische van de ruimte. Hij had me toen ik voor het eerst bij hem kwam wel een blik laten werpen op de kamer, maar al kussend en lachend had ik niet echt gekeken. Nu wel. Alles was perfect georganiseerd. Chroom en zwart leer. Veel apparatuur, een soort mengpaneel, een camera op een statief. De ruimte gaf me de kriebels en was in volstrekte tegenstelling met de man die ik kende. De man met de warme lach en zijn gezellige, rommelige huis. De man die ik toen al beschouwde als de liefde van mijn leven.

‘Hoe werkt dit ding...’ Gehaast druk ik op een paar knoppen, hoe sneller ik hier weg kan hoe beter. Vanavond vraag ik hem wel wat dit allemaal te betekenen heeft.
‘Wachtwoord, shit’ Dit wordt natuurlijk niets. Gedachtenloos type ik wat woorden in. Ik schrik zelf als ik ineens toegang krijg tot het systeem.
Blond. Het wachtwoord is Blond.

no name










‘Jezus, mannen...’ Ik glimlach. Mijn glimlach verstart op mijn gezicht als ik de foto zie. Zijn bureaublad is een grote foto van een naakte blonde vrouw. Ik kijk recht tussen haar benen. Ik word er misselijk van, ik heb nog niet ontbeten.

‘Hmm... geheime voorliefde voor porno dus,’ zegt Eva, ‘hebben veel mannen hoor Rianne, vond je dat echt zo erg?’
Ik kijk haar aan.
‘Nee, dat op zich niet, maar wel dat die foto twee weken eerder was gemaakt. Op zijn bed.’
‘Dat verandert de zaak inderdaad,’ zegt ze droog, ‘ga door.’

Ik geef over. In zijn prullenbak, ik kan er niets aan doen. Wie is dat mens? Ik dwing mezelf om goed te kijken, ik voel instinctief dat dat belangrijk is. Kou grijpt om mijn hart. 13 juni, ja dat staat er echt. Rechts onderin de hoek. De avond erna was ik bij hem, in datzelfde bed. We bedreven de liefde. Of was dat ook gewoon porno voor hem? Hete tranen lopen over mijn wangen en druppen op zijn toetsenbord.
Ik kijk verder naar de iconen op zijn bureaublad en zie een mapje met als titel Blond. Ik wil het niet zien, ik wil het niet weten, maar toch beweeg ik mijn muis richting het mapje. En klik.

‘Nou? En?’ Eva heeft rode wangen van het luisteren en ik een droge keel.
‘Mag ik misschien een glas water?’ vraag ik haar.
‘Nee! Vertel nou door!’ Eva is duidelijk gegrepen door mijn verhaal. Het is ook inderdaad te bizar voor woorden nu ik het mezelf hoor vertellen.
‘Ik ga zo verder, maar wil nu toch wel graag even die pauze...’ Ik voel hoeveel energie het me kost, die flashbacks naar het verleden dat ik het liefste helemaal zou vergeten.
‘Prima lieverd, ben zo terug’ Eva staat op van de bank en loopt naar haar keuken. Ik doe de televisie aan en kijk naar het 8 uur journaal. Wat een ellende allemaal, dat relativeert wel weer. Eva komt weer de kamer binnen, geeft me een glas water en zet resoluut het geluid zachter.
‘Al het nieuws van de wereld kan me nu minder schelen dan jouw verhaal. Kom op, vertel door...’

Op het scherm verschijnen nog meer mapjes. Mijn ogen worden groot en mijn mond valt open. Nee. Dit kan niet waar zijn! Vrouwennamen. Ik tel ze snel. Vijftien stuks. Verdeeld in twee groepen. Een groep met een datum achter de naam en een groep zonder datum. Mijn naam staat er ook, zonder datum. Ik laat snel mijn ogen langs de namen en data gaan en vind wat ik zoek. 13 juni. Sara heet ze dus,